Een cel bestaat uit een plasmamembraan met daarin verschillende organellen. Organellen zijn kleine orgaantjes met allemaal een eigen functie. We hebben organellen zoals de celkern (nucleus), mitochondriën, ribosomen, het
Sommige levensvormen bestaan uit een enkele cel. De bekendste eencellige wezentjes zijn de bacteriën, die bijvoorbeeld op je huid zitten of in de bodem. Een bacteriecel is een organisme op zichzelf. Maar het meeste leven is opgebouwd uit enorm veel cellen die met elkaar verbonden zijn.
Een organel is een onderdeel van een eukaryote cel, met een gespecialiseerde functie. Organellen zijn essentieel voor het laten verlopen van stofwisseling, het genereren van energie, het handhaven van de celstructuur, en voor de instandhouding van het genetisch materiaal in de cel.
Een cel bestaat uit drie delen : het celmembraan, de celkern en, tussen deze twee, het cytoplasma.
De dertien delen van een dierlijke cel zijn vacuolen, cytoplasma, blaasjes, centriolen, ribosomen, kernmembraan, celmembraan, cytoskelet, mitochondriën, endoplasmatisch reticulum, nucleolus, Golgi-apparaat en celkern .
De celkern bevat het genoom, het totale pakket aan chromosomen met de genetische informatie die is opgeslagen in de vorm van genen. Het bevat genen voor de aanmaak van de ribosomen en kernlichaampjes en heeft een belangrijke rol in de celdeling.
Cytoplasma of celvocht
In de cel bevindt zich een vloeistof, cytoplasma genoemd, waarin alle celonderdelen liggen. Het cytoplasma is een waterige oplossing van eiwitten, mineralen en suikers, die het inwendige van de cel beschermt.
Peroxisomen zijn kleine blaasjes, die voor verschillende stofwisselingsprocessen in de cel belangrijk zijn. Eén cel kan enkele honderden peroxisomen bevatten. Een dun enkel membraan scheidt de inhoud van een peroxisoom van de rest van de cel.
Dus, samengevat, is een vacuole een soort opslagplaats binnenin een cel. Het kan water, voedingsstoffen of afvalstoffen bevatten, afhankelijk van het type cel en de behoeften ervan. Deze kleine zakjes binnenin cellen spelen een grote rol bij het in stand houden van het leven, of het nu in planten of dieren is.
Een cel in Nederland is circa 10 vierkante meter. Elke cel is voorzien van een intercom, deze is alleen bestemd voor noodoproepen. Er is een radio waar enkele zenders op te ontvangen zijn. Om jezelf op te frissen is er een klein fonteintje en een spiegel.
Sommige diertjes bestaan maar uit één cel en heten daarom eencellige diertjes. Een bekend eencellig diertje is het pantoffeldiertje.
Een cel is het kleinste deel van je lichaam of van een lichaam van een levend wezen en geeft alle informatie over de genetica van je lichaam of van een ander levend wezen. Bijna alles bestaat uit cellen, zoals planten, dieren, wij mensen en zelfs bacteriën.
Cellen van eukaryoten bestaan uit een celmembraan dat het cytoplasma omgeeft met daarin de celkern. Het cytoplasma bestaat uit waterig cytosol waarin zich de celorganellen bevinden. In de cellen van bacteriën, schimmels en planten wordt de celmembraan nog omgeven door een extra, relatief dikke, celwand.
Het celmembraan, de celkern en het cytoplasma zijn de drie belangrijkste componenten van een cel. Het celmembraan omringt de cel en controleert de stoffen die de cel in- en uitgaan. De celkern is een interne structuur die de nucleolus en het grootste deel van het DNA van de cel herbergt.
Ribosomen zorgen voor de aanmaak van eiwitten in cellen. Ze zijn opgebouwd uit meer dan dertig verschillende eiwitten en rRNA. Ribosomen zitten op het ruw endoplasmatisch reticulum (ER) of komen zelfstandig voor in het cytoplasma. Ze maken eiwitten op basis van de erfelijke informatie uit het DNA en RNA.
Peroxisomen zijn kleine, door membranen omgeven organellen (Figuur 10.24) die enzymen bevatten die betrokken zijn bij verschillende metabolische reacties, waaronder verschillende aspecten van het energiemetabolisme.
Organellen zijn de onderdelen van de cel. Elk organel is omgeven door een membraan bestaande uit fosfolipiden. Voorbeelden van organellen die voor kunnen komen in de cel zijn; mitochondriën, Golgi-systeem en het endoplasmatisch reticulum.
Nucleus is het Latijnse woord voor kern. De term wordt onder andere gebruikt: in de biologie, als synoniem voor celkern. in de fysica, als synoniem voor atoomkern.
Het cytoplasma bestaat uit cytosol. Cytosol is een vloeistof, die voornamelijk bestaat uit moleculen als water, eiwitten, koolhydraten, mineralen, vetten, suikers en elektrolyten. In het cytoplasma drijven onder andere de celorganellen en de celkern (nucleus).
Mitochondriën zijn de batterijtjes of de energiefabriekjes van de cel en komen voor in elke cel van het lichaam behalve in de rode bloedcellen. Mitochondria produceren bijna alle energie die we in ons lichaam nodig hebben om te leven en te groeien.
n de cel bevindt zich een vloeistof, cytoplasma genoemd, waarin alle celonderdelen liggen. Het cytoplasma is een waterige oplossing van eiwitten, mineralen en suikers, die het inwendige van de cel beschermt.
Een lysosoom is een organel in de cel. Lysosomen zijn met vocht gevulde blaasjes, die zorgen voor de afbraakprocessen in de cel. Het lysosoom membraan bestaat uit dubbele fosfolipiden en eiwitten, net als het celmembraan. Een cel kan enkele honderden lysosomen bevatten.
RBC en bloedplaatjes die in eukaryoten voorkomen, hebben ook geen kern. Het zijn RBC (rode bloedlichaampjes) en bloedplaatjes.