Volgens de klassieke schoolregel voor hen en hun gebruiken we hun voor het meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en gebruiken we hen voor het lijdend voorwerp en na een voorzetsel.
Je schrijft 'hun' bij een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel. Als er wel een voorzetsel voor staat, hoef je aan de woordvorm niet meer te zien dat het meewerkend voorwerp is. Dan schrijf je 'hen'.
Wij bezoeken ze (= de kinderen) EN Wij bezoeken ze (= de steden). Je kan 'ze' dus altijd gebruiken als direct object. Let erop dat het de onbeklemtoonde vorm is! In formeel taalgebruik klinken 'hun' en 'hen' verzorgder.
Gebruik wij als er nadruk op ligt: 'Wij zijn verantwoordelijk voor de juiste afhandeling van klachten. ' Gebruik we als er niet zo veel nadruk ligt op het woord: 'Zoals we hebben afgesproken', 'Als u graag gebeld wilt worden, nemen we contact met u op. '
“Hun” kun je gebruiken als bezittelijk voornaamwoord. Dan verwijst het woord altijd naar meerdere personen. Als persoonlijk voornaamwoord kun je “hun” gebruiken wanneer je er een voorzetsel bij kunt bedenken, zoals aan, van of voor. Als er daadwerkelijk een voorzetsel staat, moet je “hen” gebruiken.
1. Het woord 'hen' wordt gebruikt om te verwijzen naar een groep mensen, dingen of ideeën , terwijl 'deze' en 'die' worden gebruikt om te verwijzen naar specifieke mensen of dingen die eerder zijn genoemd of gemakkelijk te identificeren zijn. 2. Wanneer u 'hen' en 'deze/die' in uw tekst gebruikt, zorg er dan voor dat u de context in gedachten houdt.
We gebruiken zullen als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd (de toekomst). Dit betekent dat het altijd een ander werkwoord ondersteunt. Als een voltooid deelwoord als hulpwerkwoord dient voor een ander werkwoord, verandert het in een infinitief.
Zal met ik en wij. We kunnen zal gebruiken in plaats van zal met ik en wij in uitspraken . Het gebruik ervan is formeler: We zullen nooit de vakantie vergeten die we in Vietnam hadden.
In geval van twijfel over de precieze vorm kan men in verzorgde schrijftaal daarom het best hen gebruiken. Als alternatief voor hen/hun kan ze worden gebruikt. Ze is wat informeler dan hen en hun.
Zei is veranderd in zeiden, dus het is een werkwoord dat met korte ei moet worden geschreven. Voorbeeld: Zij en zei in één zin Zij zei tegen mij dat ze Lysanne aardig vindt. De eerste “zij” kan worden vervangen door “hij”, dus het is een persoonlijk voornaamwoord.
Wanneer gebruik je hen en wanneer hun? Met hen en hun verwijs je naar personen. Of hen of hun goed is, hangt af van de rest van de zin. Hen is goed in bijvoorbeeld 'Ik deed het voor hen' en 'Ik bedankte hen.
De bekendste voorzetsels zijn: aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder.
Het is nauw verwant aan het bezittelijk voornaamwoord "their". Echter, terwijl "their" altijd voor een zelfstandig naamwoord wordt gebruikt om bezit aan te duiden, wordt theirs nooit gebruikt om een zelfstandig naamwoord te modificeren . Voorbeelden: Hoe je theirs in een zin gebruikt Dit huis is van mij, en dat huis is van hen.
Wij gebruiken zullen ik en zullen wij om aanbiedingen en suggesties te doen, en om advies te vragen . Zal ik uw tas dragen? Zal ik donderdag weer bellen? Wat zullen we hiermee doen?
De zin “We gaan naar huis” staat in de tegenwoordige tijd, terwijl de zin “We zijn naar huis gegaan” in de voltooid verleden tijd staat. Met het hulpwerkwoord zullen zetten we een zin in de toekomende tijd: “We zullen naar huis gaan.”
Shall wordt echter nog steeds veel gebruikt in bureaucratische documenten, met name documenten die door advocaten zijn geschreven . Vanwege het gebruik ervan in verschillende juridische contexten, kan de betekenis ervan dubbelzinnig zijn; de Plain Language Group van de Amerikaanse overheid adviseert schrijvers om het woord helemaal niet te gebruiken.
Zeker in spreektaal is dat gebruik heel gewoon. Ook in Nederland wordt gaan weleens gebruikt in combinatie met die werkwoorden, maar voor veel taalgebruikers is dat niet acceptabel. Standaardtaal in het hele taalgebied is zullen of de tegenwoordige tijd.
Als je iemand belooft om iets (voor diegene) te doen, gebruik je in die belofte ook vaak het woord zullen. Enkele voorbeelden: Ik heb het koud – Ik zal de verwarming hoger zetten. Er is vanavond een goede film op televisie – Ik zal hem opnemen.
Wij worden / zullen: wir werden. Jullie worden / zullen: ihr werdet. Zij worden / zullen: sie werden. U wordt / zal: Sie werden.
Ik geef het hen/hun. –> iemand iets geven –> ja, kan –> Ik geef het hun. Ik nodig hen/hun uit –> iemand iets uitnodigen –> nee, kan niet –> Ik nodig hen uit.
Betekenis van hun in het Engels
korte vorm van honey : een manier om te praten tegen iemand die je aardig vindt of liefhebt, of iemand tegen wie je vriendelijk wilt zijn: Gaat het goed, hun? Veel succes, hun, en een fijne dag! We zouden een feestje voor ze kunnen geven, toch, hun?
Bijvoorbeeld: Jij bent jonger dan ik (ben), en niet Jij bent jonger dan mij* (ben). Jij bent jonger dan ik. Hij is minder introvert dan ik. Soufiane heeft meer likes gekregen dan ik.