De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd kent in het Nederlands drie hoofdvormen: de stam (ik loop), de stam + t (jij/hij loopt) en de meervoudsvorm/hele werkwoord (wij lopen). Deze vormen hangen af van het onderwerp en de positie van het onderwerp ten opzichte van het werkwoord. Onze Taal +4
Om een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd te zetten, moet je eerst bepalen wat het onderwerp is. Bij 'ik' gebruik je alleen de ik-vorm. Bij 'je/jij' (niet in vraagzinnen) en bij 'hij/zij/het/u' gebruik je de ik-vorm + t. In vraagzinnen met 'je/jij' gebruik je alleen de ik-vorm.
V1 is de basisvorm van het werkwoord, gebruikt in de onvoltooid verleden tijd en infinitieven. V2 is de onvoltooid verleden tijd van een werkwoord, die handelingen aangeeft die in het verleden zijn voltooid. V3 is het voltooid deelwoord . Het wordt vaak gebruikt in de voltooide tijd (have/has/had + V3) en de passieve vorm.
Je kunt de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op verschillende manieren schrijven: alleen de stam van het werkwoord, stam + t of het hele werkwoord. Vaak kun je goed horen hoe je de persoonsvorm moet schrijven. Als de stam op een d eindigt, let dan goed op!
Hij wilt geldt echt als een fout, ook al komt het vaak voor. Volgens de taalnorm is alleen hij wil juist, net als zij wil, men wil, Eva wil, het kabinet wil, iedereen wil, de klant wil, enz.
"Je wilt" is correct, maar "je wil" is ook mogelijk en informeler; bij de derde persoon enkelvoud (hij/zij/het) is wil altijd juist, nooit wilt. De voorkeur gaat vaak uit naar de vorm met "-t" (je wilt, u wilt) in formelere contexten, terwijl "-t" wegvalt (jij wil, je wil) in spreektaal, maar dit is een onregelmatigheid in het werkwoord 'willen'.
Voor het enkelvoud zijn wilde en wou allebei correcte verledentijdsvormen. Voor het meervoud is wilden de correcte verledentijdsvorm. In gesproken taal wordt voor het meervoud weleens wouden of wouen gebruikt, maar in verzorgd taalgebruik kunt u die vormen beter vermijden.
Om de persoonsvorm te vinden, maak je de zin vragend (het woord dat vooraan komt), zet je de zin in een andere tijd (het veranderende werkwoord is de persoonsvorm), of verander je het onderwerp van enkelvoud naar meervoud (het veranderende werkwoord is de persoonsvorm). De persoonsvorm is het werkwoord dat zich aanpast aan de persoon en het getal (enkelvoud/meervoud) van het onderwerp.
Het is vind jij (in een vraag) en jij vindt (in een bevestigende zin); de 't' valt weg als 'jij' achter de persoonsvorm staat in een vraag, omdat 'jij' dan het onderwerp is, terwijl 'jij vindt' correct is als 'jij' het onderwerp is dat voor de persoonsvorm staat (bv. "Jij vindt dat mooi"). De correcte vorm in een vraag is dus altijd de stam: Vind jij.
In de tegenwoordige tijd wordt bij de tweede persoon enkelvoud (je, jij) en bij de derde persoon enkelvoud (hij, zij, het) altijd een –t toegevoegd aan de ik-vorm. Dit hoeft niet als een werkwoord al eindigt op een –t (het is: hij zit en niet hij zitt).
Er zijn drie verschillende soorten werkwoorden.
Het werkwoordelijk gezegde zegt dat iemand iets 'doet' of 'overkomt' of dat er iets 'gebeurt'. Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin waaronder ook de persoonsvorm.
Bijzondere werkwoorden worden anders vervoegd dan de sterke en zwakke werkwoorden. Er gelden bij deze werkwoorden geen duidelijke regels. Je moet ze gewoon uit je hoofd leren. Bijzondere werkwoorden zijn: zijn, hebben, kunnen, zullen, mogen en willen.
bij 'je', 'hij', 'zij', 'u' voor de persoonsvorm, komt er een +t achter de stam: je loopt, hij loopt, u loopt; bij 'wij', 'jullie', 'zij' gebruik je het hele werkwoord: wij lopen, zij lopen.
Vormen Top
de onvoltooid tegenwoordige tijd (of presens): hij woont, hij komt; de onvoltooid verleden tijd (of imperfectum): hij woonde, hij kwam; de voltooid tegenwoordige tijd (of perfectum): hij heeft gewoond, hij is gekomen; de voltooid verleden tijd (of plusquamperfectum): hij had gewoond, hij was gekomen.
ik suis, jij suist, hij suist, wij suizen. ik suisde, wij suisden. ik heb gesuisd.
Het bekendste ezelsbruggetje voor werkwoordspelling is 't ex-kofschip voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord: de letters t, x, k, f, s, c, h, p (inclusief de 't') bepalen of je een '-te' of '-d' schrijft; is de laatste letter van de stam een van deze, dan '-te', anders '-d'. Voor de tegenwoordige tijd helpt de "smurfenregel" (of 'lopen' vervangen) om te horen of een '-t' nodig is (bijv. 'hij smurft' = 'hij wordt').
Het werkwoord verhuizen wordt als volgt vervoegd: ik verhuis, jij verhuist, wij verhuizen, jij verhuisde, wij verhuisden, wij zijn verhuisd. De stam (het hele werkwoord min -en) van verhuizen is verhuiz. Bij werkwoorden waarvan de stam op een z eindigt, verschijnt in de verleden tijd een d: verhuisde.
Een persoonsvorm is het werkwoord in de zin dat kan veranderen van tijd. Voorbeeld: Zij werken hard aan hun werkstuk. Dit gebeurt NU; dit is de tegenwoordige tijd.
Het is vind jij (in een vraag) en jij vindt (in een bevestigende zin); de 't' valt weg als 'jij' achter de persoonsvorm staat in een vraag, omdat 'jij' dan het onderwerp is, terwijl 'jij vindt' correct is als 'jij' het onderwerp is dat voor de persoonsvorm staat (bv. "Jij vindt dat mooi"). De correcte vorm in een vraag is dus altijd de stam: Vind jij.
De zeven veelvoorkomende werkwoordsvormen in het Nederlands zijn: de infinitief (hele werkwoord), stam (ik-vorm), persoonsvorm (tegenwoordige tijd en verleden tijd), onvoltooid deelwoord (lopend), voltooid deelwoord (gelopen), de <<<a href="https://taal-tools.nl/a-7-werkwoordvormen/" title="Gebiedende wijs" rel="nofollow">gebiedende wijs</a> (loop!), en het <<<a href="https://cambiumned.nl/werkwoordspelling/werkwoordsvormen/" title="Bijvoeglijk gebruikt deelwoord" rel="nofollow">bijvoeglijk gebruikt deelwoord</a> (de lopende man). Deze vormen zijn essentieel voor werkwoordspelling en het correct vervoegen van werkwoorden, ook al bestaan er naast deze zeven ook andere, zoals de verschillende tijden (tijden) en wijzen (modus).
Wouden is ontstaan uit wolde(n), een vorm die in sommige dialecten nog voortleeft. De vorm wouden houdt ondanks alle vermaningen gewoon stand, in elk geval in de spreektaal en de informele schrijftaal. In de spreektaal is wou(w)en heel gebruikelijk.
Bij regelmatige werkwoorden zoals "willen" is de enkelvoudsvorm "wil". Andere voorbeelden van dit werkwoord zijn dansen, klappen, eten, slapen, spreken en schrijven. Dus als je "hij" en het regelmatige werkwoord "willen" in een zin gebruikt, is de correcte zin: HIJ WIL.
V1, V2, V3, V4 en V5 verwijzen naar de vijf verschillende werkwoordsvormen . V1 is de basisvorm van het werkwoord; V2 is de onvoltooid verleden tijd; V3 is het voltooid deelwoord; V4 is de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd; en V5 is het onvoltooid deelwoord.