Zullen kan uitsluitend hulpwerkwoord zijn; vandaar dat een voltooid deelwoord ontbreekt.
Het werkwoord zullen is een bijzonder werkwoord. Het is een zogenoemd 'modaal werkwoord', wat inhoudt dat het vooral iets zegt over de intentie van de zin.
Zullen is formeel alleen een hulpwerkwoord en valt dus niet onder deze groep; in informele spreektaal zijn er echter wel uitzonderingen: Hannie moet en zal op dansles; ik zal je!
Hulpwerkwoorden van de voltooide tijd zijn hebben en zijn; het hulpwerkwoord van de toekomende tijd is zullen.
Soorten werkwoorden
Hebben en zijn zijn hulpwerkwoorden van tijd. Moeten, mogen, kunnen, willen, hoeven en zullen noemen we modale hulpwerkwoorden.
Er worden drie hoofdgroepen onderscheiden: zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden. Een zelfstandig werkwoord is een werkwoord dat op zichzelf – 'zelfstandig' – de betekeniskern van een werkwoordelijk gezegde vormt.
zal modaal werkwoord (TOEKOMSTIG)
Als je dat nog een keer doet, word ik heel boos . Ik zal je nooit vergeten. Ik ben bang dat ik niet naar je feestje zal/kan komen. formeel Ik kijk ernaar uit je volgende week te ontmoeten.
hebben , zijn en zullen (hulpwerkwoorden van tijd); worden (hulpwerkwoord van het passief); kunnen , moeten , (be) hoeven, mogen , willen , zullen ; blijken , lijken , schijnen , heten , dunken , voorkomen en toeschijnen (hulpwerkwoorden van modaliteit); doen en laten (hulpwerkwoorden van causaliteit).
Het hulpwerkwoord would heeft veel toepassingen. Het kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor een beleefd verzoek ("would you like..."), om een voorwaardelijke verklaring uit te drukken ("If I could, I would..."), een actie in het verleden (In the past, I would always do..."), of zelfs een persoonlijke voorkeur ("I would like...").
We gebruiken zullen als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd (de toekomst). Dit betekent dat het altijd een ander werkwoord ondersteunt. Als een voltooid deelwoord als hulpwerkwoord dient voor een ander werkwoord, verandert het in een infinitief.
Hoe vervoeg je de modale werkwoorden? De modale (hulp)werkwoorden zijn willen, mogen, zullen, moeten en kunnen.
Nee, 'jij wilt' is wel correct. Zowel de vorm jij wilt als jij wil (zonder -t) is correct. De regel waarin de -t verdwijnt bij willen, geldt alleen voor de derde persoon (hij of zij). Dus: 'Jij wilt een training volgen' en 'Jij wil een training volgen' zijn allebei correct.
Wil je bondiger schrijven, vermijd dan de werkwoorden zullen en gaan. Deze maken een tekst vaak omslachtiger dan nodig is. Als je weleens feedback krijgt dat je tekst zo lang of moeilijk leesbaar is, kan het zeker lonen om eens te kijken hoe je deze werkwoorden gebruikt.
De correcte spelling is mocht.
Vervoeging van het werkwoord mogen: ik mag, jij mag, wij mogen. ik mocht, wij mochten. ik heb gemogen.
Als je iemand belooft om iets (voor diegene) te doen, gebruik je in die belofte ook vaak het woord zullen. Enkele voorbeelden: Ik heb het koud – Ik zal de verwarming hoger zetten. Er is vanavond een goede film op televisie – Ik zal hem opnemen.
De hulpwerkwoorden van modaliteit of modale hulpwerkwoorden zijn: zullen, kunnen, mogen, moeten, willen. Ze geven, globaal gezegd, aan of het hoofdwerkwoord als wenselijk, mogelijk, waarschijnlijk (enz.) gezien wordt.
Werkwoorden in de past simple en present simple tenses hebben geen hulpwerkwoord nodig. Ze worden uitgedrukt met de simple present of simple past form van het werkwoord.
Een hulpwerkwoord is een werkwoord dat als 'hulp' bij het hoofdwerkwoord van de zin staat. In tegenstelling tot een zelfstandig werkwoord kan een hulpwerkwoord nooit zelfstandig voorkomen.
De drie primaire hulpwerkwoorden zijn 'be', 'have' en 'do'. Er zijn tien veelvoorkomende modale hulpwerkwoorden en dat zijn 'can', 'could', 'will', 'would', 'shall', 'should', 'may', 'might', 'must' en 'ought'. Modale hulpwerkwoorden drukken vaak de ideeën van noodzaak en mogelijkheid uit.
De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. In deze voorbeelden is steeds het hele naamwoordelijk gezegde gecursiveerd: Zij is voorzitter. Zij is voorzitter geweest.
We landen over zestien minuten in Parijs, precies op tijd. Ik vertrek op de tweeëntwintigste. Volgende maand weet ik meer, hoop ik. Ik zal hem vreselijk missen.
Zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord en koppelwerkwoord.
De belangrijkste modale werkwoorden zijn can, could, may, might, must, shall, should, will en would . Ze helpen ons om verschillende betekenissen over te brengen en nuances toe te voegen aan onze zinnen. Bijvoorbeeld, 'can' geeft vermogen of toestemming aan, terwijl 'must' noodzaak of verplichting aangeeft.