Onregelmatige werkwoorden zijn werkwoorden die niet volgens de regels kunnen worden vervoegd. Dat zijn werkwoorden die je uit je hoofd moet leren. Ze worden ook klankveranderende werkwoorden genoemd, omdat ze van klank kunnen veranderen.
Regelmatige en onregelmatige werkwoorden zijn in principe hetzelfde als zwakke en sterke werkwoorden. Je kan regelmatige werkwoorden namelijk vervoegen volgens de regels, maar dit is bij onregelmatige werkwoorden niet het geval. Deze woorden moet je uit je hoofd leren.
Er zijn maar weinig onregelmatige werkwoorden in het Nederlands: hebben, kunnen, moeten, mogen, willen, zullen en zijn. Deze werkwoorden zijn ook in de tegenwoordige tijd onregelmatig.
Hij wil is de enige juiste vorm. Willen is een onregelmatig werkwoord, waarvan de hij/zij-vorm zonder –t is. Verreweg de meeste werkwoorden zijn in de tegenwoordige tijd regelmatig. De vervoeging ervan zorgt bij mensen van wie het Nederlands de moedertaal is nooit voor problemen.
Regelmatige werkwoorden (we laten de onregelmatige werkwoorden voor later) volgen hetzelfde patroon als de andere werkwoorden met dezelfde uitgangen. De stam van het werkwoord (het deel tot aan de -ar, -er of -ir) blijft hetzelfde, terwijl de uitgangen vervangen worden afhankelijk van het onderwerp.
Hoewel de onregelmatige '-er'-werkwoorden vaak een ongebruikelijke spelling hebben in verschillende tijden, gebruiken alle regelmatige '-er'-werkwoorden dezelfde werkwoordsuitgangen op basis van de persoon en het getal van het onderwerp. Enkele veelvoorkomende voorbeelden van regelmatige Spaanse werkwoorden die eindigen op '-er' zijn: comer (eten)beber (drinken)
Werkwoorden zijn regelmatig als ze in de verleden tijd dezelfde stam hebben als in de tegenwoordige tijd. De stam is de vorm die we horen als we de infinitief uitspreken en daarbij de uitgang -en (soms -n) weglaten.
Een onregelmatig werkwoord is een werkwoord die verandert van klank als het in een andere tijd komt te staan. Voorbeeld van een onregelmatig werkwoord: ik loop naar school. Ik loop wordt: ik liep. Het werkwoord verandert van klank als het in de verleden tijd staat.
'Hij wil' is een conjunctief, omdat deze vorm ontstaan is om beleefdheid uit te drukken. Vroeger schreven we de beleefdheidsvorm van willen als: 'hij wille'. De extra -e schrijven we al lang niet meer, maar er is nooit een -t voor in de plaats gekomen. Daarom is 'hij wil' de enige correcte spelling.
Voor het enkelvoud zijn wilde en wou allebei correcte verledentijdsvormen. Voor het meervoud is wilden de correcte verledentijdsvorm. In gesproken taal wordt voor het meervoud weleens wouden of wouen gebruikt, maar in verzorgd taalgebruik kunt u die vormen beter vermijden.
Voorbeelden van onregelmatige werkwoorden: lopen, loopt, liep, liepen, gelopen. zwemmen, zwemt, zwom, zwommen, gezwommen. breken, breekt, brak, braken, gebroken.
Sommige werkwoorden zijn 'half onregelmatig': ze hebben gedeeltelijk een zwakke en gedeeltelijk een sterke vervoeging: bakken - bakte - gebakken. lachen - lachte - gelachen.
Onregelmatige werkwoorden vormen de verleden tijd niet op de gebruikelijke manier . Bijvoorbeeld, de verleden tijd van they are is they were. Omdat onregelmatige werkwoorden geen regels volgen, moeten de verleden tijden van onregelmatige werkwoorden uit het hoofd geleerd worden of in een woordenboek worden opgezocht. Enkele veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden zijn: lay/laid, go/went en run/ran.
Het Nederlands kent de volgende onregelmatige werkwoorden: hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen.
Veel werkwoorden kun je in het Frans gelukkig volgens vaste regels vervoegen, er zijn echter ook een paar werkwoorden die heel vaak voorkomen die onregelmatig zijn: de bekendste zijn (naast être en avoir) faire en aller.
Avoir (hebben) en être (zijn) zijn twee erg belangrijke werkwoorden in het Frans. Eigenlijk kun je er niet onderuit om een van de twee te gebruiken. Het zijn onregelmatige hulpwerkwoorden. Dit betekent dat je ze nodig hebt in gewone zinnen, maar ook als je een speciale vorm zoals de passé composé wilt maken.
' Beide zinnen zijn juist en dus is zowel 'je wil' als 'je wilt' mogelijk. Vaak wordt 'je wil' als informeler gezien dan 'je wilt'. Je wil komt vaker voor in de spreektaal en bij informele gesprekken, zoals in appjes of informele mails.
Wat is juist: Ik heb u auto aangereden of Ik heb uw auto aangereden? Juist is: Ik heb uw auto aangereden.
Het werkwoord willen geven we in de derde persoon enkelvoud geen -t: zij wil, wil zij. De vorm zij wilt* (of wilt zij*) is niet correct.
Het werkwoord willen geven we in de derde persoon enkelvoud geen -t: hij wil, wil hij. De vorm hij wilt* (of wilt hij*) is niet correct.
Aller (gaan) is een onregelmatig werkwoord dat vooral gebruikt wordt om beweging aan te geven of om te zeggen hoe iemand zich voelt.
b. Werkwoorden met een sterke vervoeging die archaïsch, verouderd of zeer formeel overkomt: lachen, dunken.