Cellen van eukaryoten bestaan uit een celmembraan dat het cytoplasma omgeeft met daarin de celkern. Het cytoplasma bestaat uit waterig cytosol waarin zich de celorganellen bevinden. In de cellen van bacteriën, schimmels en planten wordt de celmembraan nog omgeven door een extra, relatief dikke, celwand.
Een cel bestaat uit een plasmamembraan met daarin verschillende organellen. Organellen zijn kleine orgaantjes met allemaal een eigen functie. We hebben organellen zoals de celkern (nucleus), mitochondriën, ribosomen, het endoplasmatisch reticulum, het golgi apparaat, lysosomen en het cytoskelet.
Een cel heeft een membraan, een soort schil die de cel omsluit. In deze schil liggen verschillende onderdelen van de cel, deze onderdelen worden ook wel organellen genoemd. De celkern, maar ook de mitochondria zijn voorbeelden van deze organellen. Organellen zijn essentieel voor de overleving en reproductie van de cel.
Eencelligen zijn organismen die overeenkomen in het kenmerk dat ze uit één cel bestaan. Eencelligen zijn individueel niet zichtbaar met het blote oog, ze behoren tot de micro-organismen. Er zijn prokaryote en eukaryote eencelligen. Microscopische foto van een eencellig pantoffeldiertje.
Een cel in Nederland is circa 10 vierkante meter. Elke cel is voorzien van een intercom, deze is alleen bestemd voor noodoproepen. Er is een radio waar enkele zenders op te ontvangen zijn. Om jezelf op te frissen is er een klein fonteintje en een spiegel.
Cellen, of ze nu op zichzelf leven of als onderdeel van een meercellig organisme, zijn meestal te klein om te zien zonder een lichtmicroscoop . Cellen delen veel gemeenschappelijke kenmerken, maar ze kunnen er enorm verschillend uitzien. Cellen hebben zich in feite miljarden jaren aangepast aan een breed scala aan omgevingen en functionele rollen.
Zenuwcellen: de zenuwcellen geleiden elektrische impulsen. Kraakbeencellen: deze cellen zorgen voor flexibiliteit en stevigheid in het kraakbeen. Botcellen: de botcellen zorgen voor stevigheid. Dwarsgestreepte spiercellen: deze cellen zorgen voor de beweging in de skeletspieren.
De meeste cellen kun je niet met het blote oog zien, maar wel met een lichtmicroscoop. Ook sommige organellen zijn met een lichtmicroscoop waar te nemen (zoals chloroplasten/celkern/celwand). Om kleinere organellen waar te nemen, is een elektronen microscoop nodig.
Wanneer een amoebe beweegt ziet dat er een beetje uit als een rollende pudding met uitstulpingen. Deze 'uitstulpingen' noemen we ook wel schijnvoetjes en de amoebe kan deze overal uitstrekken en weer intrekken. Amoebes hebben uitstulpsels die we 'schijnvoeten' noemen. Hiermee kunnen ze bewegen en hun voedsel vangen.
De levende wezens op aarde zijn verdeeld over vier rijken: bacteriën, schimmels, planten en dieren. Let op: virussen zijn geen levende wezens en behoren daarom niet tot een van de rijken. Ze bestaan ook niet uit cellen. Bacteriën, schimmels, planten en dieren bestaan overigens wel uit cellen.
Cytoplasma of celvocht
In de cel bevindt zich een vloeistof, cytoplasma genoemd, waarin alle celonderdelen liggen. Het cytoplasma is een waterige oplossing van eiwitten, mineralen en suikers, die het inwendige van de cel beschermt.
De celkern bevat het genoom, het totale pakket aan chromosomen met de genetische informatie die is opgeslagen in de vorm van genen. Het bevat genen voor de aanmaak van de ribosomen en kernlichaampjes en heeft een belangrijke rol in de celdeling.
Die zouden we op atomair detail kunnen afgaan, bolletje bij bolletje, en simuleren als een groot computerspel.” De benodigde computerkracht voor een enkele virtuele cel is een stuk bescheidener. Een cel bestaat uit ongeveer 1013 atomen die in drie dimensies bewegen.
Celkern- De celkern is het regelcentrum van de cel. Het is het grootste organel in de cel en het bevat het DNA van de cel. Het DNA van alle cellen is gemaakt van chromosomen.
Prokaryoten zijn alle organismen zonder celkern, dus de bacteriën en de archaea. Eukaryoten zijn alle organismen met een celkern, dus alle dieren, planten, schimmels en protisten.
Ribosomen zorgen voor de aanmaak van eiwitten in cellen. Ze zijn opgebouwd uit meer dan dertig verschillende eiwitten en rRNA. Ribosomen zitten op het ruw endoplasmatisch reticulum (ER) of komen zelfstandig voor in het cytoplasma. Ze maken eiwitten op basis van de erfelijke informatie uit het DNA en RNA.
Sommige diertjes bestaan maar uit één cel en heten daarom eencellige diertjes. Een bekend eencellig diertje is het pantoffeldiertje.
Wat is Infecties met amoeben? Amoeben zijn zeer kleine parasieten, die vooral in de tropen voorkomen (en zelden in Nederland). Ze kunnen in de darm terechtkomen via besmet water of voedsel. In de darm kunnen amoeben een infectie veroorzaken.
Een bijzonder hoog ontwikkelde eencellige is het pantoffeldiertje. Met zijn lengte van 0,3 mm lengte is het een reus onder de eencelligen. Hij heeft een lichaam, dat volledig bedekt is met trilhaartjes. Deze dienen enerzijds ter voortbeweging, anderzijds om het voedsel naar zich toe te bewegen.
Alle cellen van alle organismen hebben een cytoplasma, celmembraan en chromosomen. Het cytoplasma (celvloeistof) is waar stoffen van de ene plaats naar de andere plaats gaan in de cel. Het celmembraan is het buitenste randje van het cytoplasma. Alles wat de cel op- en afneemt gaat door het celmembraan.
De kleinst levende bouwsteen of eenheid van een organismen is de cel. De cel leeft, vertoont dus levenskenmerken als voeden, uitscheiden, ademhalen, groeien, waarnemen, bewegen en voortplanten.
Cytoplasma is een soort slijmerige gel waarin alle kleine bouwstenen van een levende cel zich bevinden. Het is het binnenste van een cel dat de boel bij elkaar houdt en ervoor zorgt dat alles goed kan functioneren.
Ons lichaam telt 10 biljoen cellen en geen twee zijn er precies hetzelfde.