De keuze voor de juiste injectieplaats (subcutaan of intramusculair) wordt voornamelijk bepaald door de volgende drie omstandigheden:
De keuze voor de injectieplaats(en) hangt af van:
Spieren hebben een overvloedige bloedtoevoer waardoor medicijnen sneller worden opgenomen dan via de subcutane route. Factoren die de keuze van de spier voor een intramusculaire injectie beïnvloeden, zijn onder andere de lichaamsgrootte van de patiënt, evenals de hoeveelheid, viscositeit en het type medicijn .
De buik is een goede plek om te spuiten. Als er in de buik wordt gespoten, is het verstandig om dit in een huidplooi te doen. Rond de navel moet niet worden gespoten omdat in dit gebied vrij veel zenuwen en bloedvaten lopen, waardoor het injecteren pijnlijker kan zijn. Houd altijd 3 vingers afstand rond de navel.
Keuze injectienaald
De te gebruiken naald is afhankelijk van de injectiemethode (intracutaan, subcutaan, intramusculair, intraveneus), de injectietechniek, het injectiegebied en dikte van het onderhuidse bindweefsel of de spier.
Intramusculaire (IM) injecties
De naaldlengte en -dikte zijn hetzelfde als bij gebruik van de deltaspier, d.w.z. 2,5-3,8 cm (1"-1½") lang, 22-25 gauge. U dient de naaldlengte te kiezen op basis van het gewicht van uw volwassen patiënten, als volgt: Volwassenen die minder dan 60 kg (130 lbs) wegen: Het gebruik van een naald van 2,5 cm (1") wordt aanbevolen.
Wissel iedere week van injectieplaats en let op het volgende:
De keuze van de injectieplaats is cruciaal bij intramusculair injecteren. De ideale plaats is een grote, dikwijls gebruikte spier, zoals de deltaspier in de bovenarm, of de gluteus maximus in de bil.
In de bovenarmen kan aan de buitenkant worden gespoten. Hier hoeft geen huidplooi genomen te worden. In de armen is het onderhuidse vetweefsel niet zo dik. Een juiste keuze van de naaldlengte is dan wel belangrijk.
Bloedingen, infecties en blauwe plekken kunnen het gevolg zijn en het risico op lipodystrofie neemt toe. Een naald kan ook verstopt raken door kristallisatie van de insuline. Daarnaast vormt de naald een open verbinding tussen de insuline en de buitenlucht. Na elke injectie de naald vervangen dus!
Prik de naald loodrecht in de huid of neem een huidplooi tussen duim en wijsvinger. En prik de naald onder een hoek van 45º in de huid met de naald opening naar boven. Spuit de voorgeschreven medicatie langzaam in. Verwijder de naald en klik de beschermhoes op de naald.
Bij een intramusculaire injectie wordt de vloeistof direct in de spier geïnjecteerd. Voorkeur is om daarbij grote spieren te gebruiken. Omdat injecteren in een gespannen spier pijnlijk is, en de kans op nabloedingen vergroot, is het belangrijk dat de cliënt zich van tevoren ontspant.
Het afwisselen van injectieplaatsen vermindert irritatie en pijn door herhaalde injecties. Het kan ook de opname van het geneesmiddel verbeteren. Er zijn drie injectieplaatsen: de buik, de dij en de bovenarmen. Herhaaldelijk gebruik van één injectieplaats kan leiden tot amyloïdose, wat huidbultjes veroorzaakt.
Er zijn verschillende soorten insuline verkrijgbaar in Nederland. Een paar van de bekende insulinesoorten zijn insuline aspart, insuline glargine en insuline lispro.
Algemene richtlijnen voor het spuiten
Het kiezen van de juiste injectienaald
Lichaamsbouw: Slanke patiënten hebben kortere naalden nodig, terwijl bij obesitas langere naalden beter werken. Viscositeit van het medicijn: Dikkere medicatie vraagt om een bredere naald. Injectieplaats: De bilspier vereist meestal een langere naald dan de deltaspier.
Situaties waarin je geen vleugelnaald mag plaatsen
Na het injecteren van de medicatie, laat je de huidplooi los en trek je de naald snel maar voorzichtig terug. Het is belangrijk om na de injectie de plek niet te masseren, omdat dit de absorptie van de medicatie kan versnellen en mogelijk pijn of ongemak kan veroorzaken.
Contra indicaties
Aspiratietechniek
Vanuit de buik wordt insuline sneller opgenomen dan vanuit de zijkant van de benen of billen.
De rangeer-, Z- of Zig zagtechniek is een andere techniek om loodrecht intramusculair te injecteren. Deze techniek voorkomt terugvloeien en/of irritatie van geïnjecteerde vloeistof in het onderhuidse bindweefsel.
Check of de vijf basisregels kloppen: juiste cliënt, juiste tijdstip, juiste medicijn, juiste tijdstip, juiste manier van toedienen en juiste dosis; Voorkom als zorgverlener direct huidcontact met het medicijn.
Trek de huid van de prikplaats strak met uw duim en de wijsvinger. Steek de naald in één beweging door de huid in de spier. De naald moet op een klein stukje na helemaal in de huid geprikt worden. Controleer of de naald niet in een bloedvat zit door de zuiger iets terug te trekken.
Na vaccinatie kunt u last krijgen van (milde) bijwerkingen. Bijwerkingen als hoofdpijn, pijn op de prikplek, moeheid, spierpijn, gewrichtspijn, koude rillingen en koorts beginnen enkele uren of dagen na de prik. Bijwerkingen ontstaan doordat een coronavaccinatie het afweersysteem van uw lichaam aan het werk zet.