De verleden tijd van "ben" (van het werkwoord zijn) is was (enkelvoud) of waren (meervoud). WikiWoordenboek +1
Bij de onvoltooid verleden tijd van werkwoorden (o.v.t.) is er een onderscheid tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Werkwoorden zijn regelmatig als ze in de verleden tijd dezelfde stam hebben als in de tegenwoordige tijd (werk - werkte, wandel - wandelde, droom - droomde).
Vraag: Wat is juist: Ik heb mijn paspoort verloren of Ik ben mijn paspoort verloren? Antwoord: Juist is in elk geval: Ik heb mijn paspoort verloren.
Zijn wordt gebruikt in de volgende gevallen: in het meervoud van de tegenwoordige tijd: wij zijn, jullie zijn, zij zijn; als infinitief (het hele werkwoord): 'Je moet wel op tijd zijn', 'Hij mag er zijn', 'Het heeft zo moeten zijn', 'Het is heerlijk om vader te zijn'; als een aansporing: 'Zijn jullie eens even stil!
In het Engels verwijzen we met de infinitief meestal naar de tegenwoordige infinitief, die het meest voorkomt. Er zijn echter nog vier andere vormen van de infinitief: de voltooide infinitief, de voltooide continue infinitief, de continue infinitief en de passieve infinitief .
Als voor een werkwoord het woord 'te' of de woordgroep 'aan het' staat, weet je dat het werkwoord een infinitief is.
De Nederlandse dialecten zijn nog lang niet aan ik ben geweest toe. Van Vlaanderen tot het Noorden met uitzondering van oostelijke streken luidt het ik heb geweest. In het Noord-Oosten is hebben alleenheersend.
Tot slot is 'they're' een samentrekking die ' zij zijn ' betekent. Dit maakt het iets makkelijker om het te onderscheiden van andere homoniemen, omdat je altijd kunt controleren of het het juiste woord is door de samentrekking volledig uit te schrijven en je af te vragen of het dan nog steeds logisch klinkt.
'Wees maar niet bang' geldt als de meest verzorgde en geaccepteerde vorm in de standaardtaal. Van oudsher is alleen wees gebruikelijk als gebiedende wijs van zijn. Het is bijvoorbeeld ook 'Wees eens stil', 'Wees jezelf' en 'Wees tevreden met wat je hebt.
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (OTTT)
Werkwoorden die in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd staan, drukken een handeling uit die in de toekomst plaatsvindt. Je kind herkent zinnen in deze tijd aan het gebruik van (een vorm van) het hulpwerkwoord zullen.
ik suis, jij suist, hij suist, wij suizen. ik suisde, wij suisden. ik heb gesuisd.
Antwoord. Beide vervoegingen zijn mogelijk, maar ze zijn niet in alle gevallen door elkaar te gebruiken. Als vergeten betekent 'niet bij zich hebben' of 'er niet aan gedacht hebben om iets te doen', is zowel hebben als zijn correct. Als het betekent 'zich niet meer herinneren', is alleen de vervoeging met zijn correct.
De voltooid verleden tijd van 'ben' bestaat uit twee woorden, ' was geweest ', en kan als volgt worden gebruikt: Haley was al vele jaren een goede vriendin.
'They're' is een samentrekking van 'they' en 'are' . Als je wilt testen of 'they're' het juiste woord is, probeer dan 'they are' te gebruiken om te zien of de zin nog steeds klopt.
Het gebruik van de voornaamwoorden zij/haar/haar duidt er over het algemeen op dat iemand zich identificeert als vrouw of vrouwelijk zonder haar naam te gebruiken . Dit is echter niet altijd het geval, en soms veranderen iemands voornaamwoorden. Zo kan iemand met een fluïde genderidentiteit soms wel en soms niet de voornaamwoorden zij/haar gebruiken.
Men wordt gecombineerd combined met een werkwoord in hij/zij/het-vorm, omdat het een singular pronomen is. Voorbeeld: Men kan op de website meer informatie vinden.
De voltooid tegenwoordige tijd wordt gevormd met have/has been en de -ing-vorm van het werkwoord.
Erbij aan elkaar
De combinatie van er + bij schrijf je aan elkaar als je naar iets verwijst in de zin. Erbij wordt ook aan elkaar geschreven in vaste combinaties. In dat geval heeft het woord een specifieke betekenis. Denk aan erbij halen, erbij komen, erbij neervallen, erbij lopen en erbij stilstaan.
Om dt-fouten te vermijden, gebruik je ezelsbruggetjes zoals het 'smurfen' of 'lopen'-principe: vervang het werkwoord door 'smurfen' (smurft) of 'lopen' (loopt) om te horen of er een 't' bij hoort (bv. 'hij smurft', 'hij loopt' -> dus 'hij werkt'). Voor voltooid deelwoorden gebruik je het 't kofschip'-principe (stam + t/d) of verleng je het woord (bv. 'het gestrande schip').
Het is vind jij (in een vraag) en jij vindt (in een bevestigende zin); de 't' valt weg als 'jij' achter de persoonsvorm staat in een vraag, omdat 'jij' dan het onderwerp is, terwijl 'jij vindt' correct is als 'jij' het onderwerp is dat voor de persoonsvorm staat (bv. "Jij vindt dat mooi"). De correcte vorm in een vraag is dus altijd de stam: Vind jij.
Infinitief (onbepaalde wijs)
De infinitief eindigt bij vrijwel alle werkwoorden op -en. De enige uitzonderingen zijn de werkwoorden gaan, slaan, staan, zien, doen en zijn, en afleidingen daarvan en samenstellingen daarmee, zoals begaan, inslaan, opstaan, terugzien, opendoen en bijeenzijn.
De infinitief (of: onbepaalde wijs) is een vormcategorie van het werkwoord. De infinitief wordt ook wel 'het hele werkwoord' genoemd en het is in deze 'standaardvorm' dat werkwoorden in woordenboeken zijn opgenomen.