Als in een zin meerdere werkwoorden staan, is één daarvan het hoofdwerkwoord. Dit kan een
Hulpwerkwoorden staan nooit in hun ééntje in een zin!Ze komen dus alleen voor als er twee of meer werkwoorden in de zin staan. Hulpwerkwoorden bieden hulp aan het zelfstandig werkwoord of het koppelwerkwoord. In een zin kunnen meerdere hulpwerkwoorden voorkomen.
Het zelfstandig werkwoord (ZWW)
Wanneer een werkwoord in een zin de handeling aangeeft, dan is dat werkwoord een zelfstandig werkwoord. Het zelfstandig werkwoord is dus het belangrijkste werkwoord. Er staat altijd maar één zelfstandig werkwoord in een zin.
Het koppelwerkwoord
De basisregels zijn bijna hetzelfde als bij een zelfstandig werkwoord: per zin staat er maar één koppelwerkwoord in (behalve natuurlijk als het een samengestelde zin is), de rest van de werkwoorden zijn hulpwerkwoorden.
Als in een zin meer dan één werkwoord staat, is een van die werkwoorden het hoofdwerkwoord. De andere werkwoorden zijn hulpwerkwoorden. Het hoofdwerkwoord heeft de vorm van een voltooid deelwoord of het hele werkwoord, ook wel de infinitief genoemd.
Als in een zin meerdere werkwoorden staan, is één daarvan het hoofdwerkwoord. Dit kan een koppelwerkwoord zijn of een zelfstandig werkwoord. De term 'hoofdwerkwoord' is dus een overkoepelende term. De overige werkwoorden in de zin zijn hulpwerkwoorden.
Een simpele zin kan twee subjecten hebben die het werkwoord doen, twee werkwoorden die door het subject worden gedaan, of beide . Deze elementen worden niet door komma's gescheiden. Randy en Kim verhuisden vorige zomer met pijp. Randy verhuisde met pijp en reed vorige zomer met een vrachtwagen.
In de Nederlandse taal komen in totaal negen koppelwerkwoorden voor: 'zijn', 'worden', 'blijven', 'lijken', 'blijken', 'schijnen', 'heten', 'dunken' en 'voorkomen'.
Het gezegde van deze zin is wordt moe. Omdat daar een bijvoeglijk naamwoord in voor komt, spreken we hier van een naamwoordelijk gezegde. Het werkwoord wordt koppelt hier de eigenschap moe aan het onderwerp hij en is daarmee een koppelwerkwoord. Moe wordt ook wel het naamwoordelijk deel van het gezegde genoemd.
Een eenvoudige zin kan twee werkwoorden hebben. Dit wordt een samengesteld predikaat genoemd. De zin is nog steeds een eenvoudige zin omdat deze slechts één onafhankelijke clausule bevat. Een voorbeeld van een eenvoudige zin met twee werkwoorden is 'The boys played games and rode bicycles.
Onafhankelijke clausules kunnen meer dan één onderwerp en meer dan één werkwoord hebben, maar drukken slechts één idee uit. Een zin met één onafhankelijke clausule kan ook veel zinsdelen hebben die delen van de onafhankelijke clausule wijzigen.
Er is geen limiet , maar om de zin logisch te maken, zijn komma's, dubbele punten en puntkomma's essentieel. Leestekens zijn belangrijk, omdat je hiermee de zin kunt opsplitsen als je meer werkwoorden gebruikt. Vergeet daarbij niet de rest, zoals bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, verbindingswoorden, enzovoort.
Maurice zwom. Ik at. Hoewel deze eenvoudige zinvoorbeelden slechts twee woorden lang zijn, tellen ze nog steeds als eenvoudige zinnen . Dit komt omdat ze zowel een onderwerp als een predikaat (of werkwoord) bevatten.
Een hulpwerkwoord is een werkwoord dat als 'hulp' bij het hoofdwerkwoord van de zin staat. In tegenstelling tot een zelfstandig werkwoord kan een hulpwerkwoord nooit zelfstandig voorkomen. Het komt altijd voor in combinatie met een ander werkwoord (een zelfstandig werkwoord of een koppelwerkwoord).
de zwobbels zijn deze werkwoorden: zijn worden blijven blijken lijken schijnen (als in: het schijn dat het morgen het schoolfeest is) als het hoofdwerkwoord een van deze werkwoorden is dan is er een NWG in de zin veel succes!
Na een voorzetsel volgt altijd een niet-onderwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord. Onderwerpsvormen zijn ik, jij/je, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie en zij/ze.
Een koppelwerkwoord is een werkwoord dat voorkomt in zinnen met een naamwoordelijk gezegde. In bijvoorbeeld 'Ik ben blij' gaat het om iets wat de 'ik' is (namelijk: blij). In deze zin is ben het koppelwerkwoord; blij is het naamwoordelijk deel van het gezegde.
In zinnen met twee werkwoorden wordt het eerste werkwoord vervoegd zodat het overeenkomt met het onderwerp van de zin, terwijl het tweede werkwoord in de infinitiefvorm blijft.
Ja, je kunt twee of meer dan twee werkwoorden in een zin gebruiken . Voorbeelden: 1) We eat and drink every day. 2) She loved and married me.
Alle werkwoorden in een zin vormen dan samen het gezegde. Met dit zinsdeel wordt aangegeven dat iemand iets is, iets doet of dat er iets gebeurt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het werkwoordelijk gezegde en het naamwoordelijk gezegde.
b. Werkwoorden met een sterke vervoeging die archaïsch, verouderd of zeer formeel overkomt: lachen, dunken.
wijs (bn): sapiens.