Voorbeeld: stelenIn de tegenwoordige tijd is het 'ik steel', maar in de verleden tijd is het 'ik stal'. De klank verandert, waardoor het een een
De verleden tijd van stelen is gestolen .
Persoonsvorm in de verleden tijd
Eerst pak je dus de stam (ik-vorm) en daar zet je +te of +de achter. Daarna kijk je of het werkwoord in het meervoud of het enkelvoud staat, bij meervoud zet je er ook nog een 'n' achter.
Voorbeeld: stelen
In de tegenwoordige tijd is het 'ik steel', maar in de verleden tijd is het 'ik stal'. De klank verandert, waardoor het een een sterk werkwoord is. Dit gebeurt ook bij het voltooid deelwoord. 'Gestolen' is namelijk het voltooid deelwoord van stelen.
Voor de spelling is het belangrijk om te weten dat ook deze werkwoorden in de verleden tijd slechts één vorm hebben voor enkelvoud en één voor meervoud. Het is 'hij vond' (en niet 'hij vondt). Hierop is één uitzondering, maar die is al behoorlijk aan het uitsterven: de gij-vorm heeft wel een toegevoegde t.
Ik heb verwijst naar een handeling in het verleden, die is afgelopen (vtt). Er brandden geen kaarsen, dus heb ik de taart meteen aangesneden. Ik had verwijst naar een handeling die plaatsvond vóór een andere handeling in het verleden (vvt). Nadat ik de kaarsen had uitgeblazen, mocht ik de taart aansnijden.
De simple past tense (ook wel de past simple of preterite genoemd) wordt gebruikt om een actie of reeks acties te beschrijven die in het verleden plaatsvonden . De past simple van regelmatige werkwoorden wordt doorgaans gevormd door "-ed" toe te voegen aan het einde van de infinitief (bijv. "talk" wordt "talked").
Als de laatste letter van de stam van het werkwoord voorkomt in “'t exkofschip“, zoals bij de stam van het werkwoord werken (werk), dan eindigt het voltooid deelwoord op een –t: gewerkt.
In de verleden tijd komt er -te(n) achter de ik-vorm: hij racete, wij raceten. Daarom eindigt ook het voltooid deelwoord op een t: geracet.
Op een gegeven moment leren ze de regel voor de verleden tijd van zwakke werkwoorden, en die gaan ze vervolgens op te veel werkwoorden toepassen. Dit verklaart vormen als 'leesde', die dus voorkomen zelfs nadat taalleerders de verleden tijd 'las' al kennen.
Het woord stool staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Let op: niet voor de tegenwoordige tijd
Tot slot nogmaals: 't kofschip geldt alleen voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord, en niet voor de tegenwoordige tijd.
Je neemt de infinitief (present simple tense) van het werkwoord en voegt "do" ervoor toe, plus het onderwerp.Als het een verleden tijd is, voeg je "did" toe . Dus "I stole the bicycle" wordt "Did I steal the bicycle?"
De Oxford Learner's Dictionary definieert de term 'verleden tijd' als " de vorm van een werkwoord die wordt gebruikt om handelingen in het verleden te beschrijven ." Volgens de Cambridge Dictionary wordt de verleden tijd van het werkwoord "gebruikt om werkwoordsvormen in veel talen te beschrijven die worden gebruikt voor handelingen die nu zijn voltooid."
Verleden tijd
Ik/jij/hij/zij/het stam + te/de ik/jij/hij/zij/het? Wij/jullie/zij stam + ten/den wij/jullie/zij? Of je te(n) of de(n) achter de ik-vorm moet schrijven kan je bepalen met de regel van 't kofschip (of beter: met kofschiptaxi).
Behalve ik is correct als er een band is met het onderwerp van de zin.Behalve mij is correct als er een band is met een ander zinsdeel dan het onderwerp. Twijfel is ten slotte ook mogelijk in zinnen met een meewerkend voorwerp dat als onderwerp kan worden aangevoeld, zoals passieve zinnen met het werkwoord vragen.
Dat er geen verleden tijd weesde in gebruik is geweest, heeft daar eveneens aan bijgedragen. De verleden tijd was namelijk vroeger hij waart en is nu hij was.
Voor het enkelvoud zijn wilde en wou allebei correcte verledentijdsvormen. Voor het meervoud is wilden de correcte verledentijdsvorm. In gesproken taal wordt voor het meervoud weleens wouden of wouen gebruikt, maar in verzorgd taalgebruik kunt u die vormen beter vermijden.
De correcte vervoeging is je/jij vindt.
Als het onderwerp je/jij achter de persoonsvorm staat, is de correcte vervoeging vind je/jij. Bij combinaties met je is het niet altijd even duidelijk of je het onderwerp van de zin is. Als u daaraan twijfelt, kunt u je proberen te vervangen door jij of jou(w).
De correcte spelling is mocht.
Vervoeging van het werkwoord mogen: ik mag, jij mag, wij mogen. ik mocht, wij mochten. ik heb gemogen.