Gebruik wij als er nadruk op ligt: 'Wij zijn verantwoordelijk voor de juiste afhandeling van klachten. ' Gebruik we als er niet zo veel nadruk ligt op het woord: 'Zoals we hebben afgesproken', 'Als u graag gebeld wilt worden, nemen we contact met u op. '
Ja, Duitse werkwoordvervoeging is moeilijk als we het vergelijken met Engelse werkwoordvervoeging . Maar nee, het is niet moeilijk in de zin van "gosh, ik zal dit nooit kunnen!". Als je Duits wilt spreken –zelfs op het meest basale niveau– dan moet je leren hoe je werkwoorden vervoegt.
De meeste gewone Duitse werkwoorduitgangen zijn -en, -ern of -eln. Werkwoorden die eindigen op -en verliezen zowel de e als de n en worden vervangen door de uitgang op basis van het onderwerp . Bijvoorbeeld, reden (praten) wordt rede voordat de werkwoorduitgang wordt toegevoegd. Werkwoorden die eindigen op -ern of -eln laten alleen de laatste n vallen.
Je zult en je zal zijn allebei correct.
De vorm zul(t) is de neutrale vorm in het hele taalgebied: je zult, jij zult, zul je, zul jij. In België is ook de vorm zal neutraal; in Nederland wordt die als informeler beschouwd: je zal, jij zal, zal je, zal jij.
onvoltooid tegenwoordige tijd, o.t.t. (taalkundige term) De onvoltooid tegenwoordige tijd wordt gevormd door aan de stam van het werkwoord een uitgang toe te voegen. Voorbeelden van de onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.) zijn: ik werk, jij denkt, hij gaat, wij wandelen, jullie eten, zij dromen.
De correcte spelling is mocht.
Vervoeging van het werkwoord mogen: ik mag, jij mag, wij mogen. ik mocht, wij mochten. ik heb gemogen.
Zeker in spreektaal is dat gebruik heel gewoon. Ook in Nederland wordt gaan weleens gebruikt in combinatie met die werkwoorden, maar voor veel taalgebruikers is dat niet acceptabel. Standaardtaal in het hele taalgebied is zullen of de tegenwoordige tijd.
Als je iemand belooft om iets (voor diegene) te doen, gebruik je in die belofte ook vaak het woord zullen. Enkele voorbeelden: Ik heb het koud – Ik zal de verwarming hoger zetten. Er is vanavond een goede film op televisie – Ik zal hem opnemen.
De Duitse taal heeft veel strengere regels voor spelling dan die in het Engels . Zodra je de standaardregels voor uitspraak hebt geleerd, kun je Duitse woorden correct gebruiken. De Duitse uitspraak lijkt moeilijk.
Een sterk werkwoord is een werkwoord dat in de verleden tijd een klinkerwisseling kent (bijvoorbeeld fahren - fuhr of sehen - sah) en waarvan het voltooid deelwoord (perfekt) eindigt op -en (bijvoorbeeld gefahren, gesehen, gelassen, gesprochen).
We gebruiken zullen als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd (de toekomst). Dit betekent dat het altijd een ander werkwoord ondersteunt. Als een voltooid deelwoord als hulpwerkwoord dient voor een ander werkwoord, verandert het in een infinitief.
In die eerste categorie verandert het hulpwerkwoord de tijd van de zin. De zin “We gaan naar huis” staat in de tegenwoordige tijd, terwijl de zin “We zijn naar huis gegaan” in de voltooid verleden tijd staat. Met het hulpwerkwoord zullen zetten we een zin in de toekomende tijd: “We zullen naar huis gaan.”
Het woord zullen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Laten we beginnen met het werkwoord 'avoir', wat 'hebben' betekent in het Nederlands. Het werkwoord rijtje hiervan is als volgt: Ik heb: J'ai.
In het Nederlands heet de futur proche de onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd. Hiervoor gebruikt het Nederlands het werkwoord 'gaan', bijvoorbeeld: “ik ga zwemmen”.