We gebruiken zullen als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd (de toekomst). Dit betekent dat het altijd een ander werkwoord ondersteunt. Als een voltooid deelwoord als hulpwerkwoord dient voor een ander werkwoord, verandert het in een infinitief.
Zullen kan uitsluitend hulpwerkwoord zijn; vandaar dat een voltooid deelwoord ontbreekt.
Bij sterke werkwoorden verandert de klinker in de verleden tijd en eindigt het voltooid deelwoord op -en: lezen - las - gelezen. lopen - liep - gelopen. helpen - hielp - geholpen.
We gaan straks naar huis
Bovendien gebruiken we het werkwoord zullen regelmatig voor voorspellingen, voornemens en denkbeeldige situaties: “Het zal je maar gebeuren”, “Je zult ervan lusten” en “We zullen er alles aan doen.” Ons advies is om het hulpwerkwoord van de toekomende tijd, zullen, waar mogelijk te schrappen.
Joop van der Horst. Het werkwoord krijgen kreeg er een jaar of tien geleden een toepassing bij. Sindsdien kun je gerust zeggen 'Ik krijg dat niet naar Polen gemaild' of 'Hoe krijg ik dat eiwit zo snel geklopt? ' Dat lijkt misschien een onbeduidende betekenisuitbreiding, maar er is méér aan de hand.
Zoals het er nu voorstaat, terwijl “gets” de derde persoon enkelvoud is van de eenvoudige tegenwoordige tijd , kan “get” daarentegen een enkelvoudig werkwoord of een meervoudig werkwoord zijn, afhankelijk van de context waarin het wordt gebruikt.… Ja, morfine is wel cool, maar ik geef er de voorkeur aan om morfine vrij/basis te maken.
zullen – je zult – zul je. Deze vormen zijn ook correct, maar ze zijn nogal informeel.
Voor het enkelvoud zijn wilde en wou allebei correcte verledentijdsvormen. Voor het meervoud is wilden de correcte verledentijdsvorm. In gesproken taal wordt voor het meervoud weleens wouden of wouen gebruikt, maar in verzorgd taalgebruik kunt u die vormen beter vermijden.
We gebruiken zullen als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd (de toekomst). Dit betekent dat het altijd een ander werkwoord ondersteunt. Als een voltooid deelwoord als hulpwerkwoord dient voor een ander werkwoord, verandert het in een infinitief.
Voor de verleden tijd van varen wordt soms ook wel vaarde gebruikt, maar die vorm wordt niet als standaardtaal beschouwd. Ook bij werkwoorden als afvaren, bevaren, blindvaren, rondvaren, uitvaren en welvaren is voer de vorm voor de verleden tijd.
Zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord en koppelwerkwoord.
Voorbeelden van zwakke werkwoorden zijn: werken – werkte – gewerkt. spelen – speelde – gespeeld. beloven – beloofde – beloofd.
We gebruiken zullen + infinitief: voor een belofte of een voorstel. om te benadrukken dat iets zeker zal gebeuren. om te zeggen dat iets waarschijnlijk zal gebeuren (door de waarschijnlijkheid expliciet te vermelden)
Je zult en je zal zijn allebei correct.
In Nederland wordt je zal informeler gevonden dan je zult. In België wordt het gebruik van je zal niet als informeler beschouwd.
“Wij wouden eerst nog een ijsje eten”
'Wouden' is namelijk niet fout. Het Witte Boekje keurt het namelijk gewoon goed. Het Groene Boekje noemt 'wouden' spreektaal, maar keurt het ook niet af. Maar goed.
Het werkwoord willen geven we in de derde persoon enkelvoud geen -t: hij wil, wil hij. De vorm hij wilt* (of wilt hij*) is niet correct.
Beide zijn correct , maar we willen meer beleefdheid tonen, vooral als de geadresseerde een hogere status heeft dan u of iemand is die u respecteert.
Wil je bondiger schrijven, vermijd dan de werkwoorden zullen en gaan. Deze maken een tekst vaak omslachtiger dan nodig is. Als je weleens feedback krijgt dat je tekst zo lang of moeilijk leesbaar is, kan het zeker lonen om eens te kijken hoe je deze werkwoorden gebruikt.
Gebruik wij als er nadruk op ligt: 'Wij zijn verantwoordelijk voor de juiste afhandeling van klachten. ' Gebruik we als er niet zo veel nadruk ligt op het woord: 'Zoals we hebben afgesproken', 'Als u graag gebeld wilt worden, nemen we contact met u op. '
zullen werkw. Uitspraak: [ ˈzʏlə(n) ] Afbreekpatroon: zul·len Vervoegingen: zou (verl. tijd enkelv.) 1) <met dit woord geef je aan dat iets in de toekomst gebeurt> Voorbeeld: 'Er zullen meer mensen komen dan vorig jaar.
Het verschil tussen de twee wordt bepaald door de persoon en het getal van het zelfstandig naamwoord of voornaamwoord. ''Is'' wordt gebruikt wanneer het zelfstandig naamwoord of voornaamwoord de derde persoon enkelvoud is.''Are'' wordt gebruikt wanneer het zelfstandig naamwoord of voornaamwoord de tweede persoon enkelvoud is en voor alle meervoudige zelfstandige naamwoorden en voornaamwoorden .
Bij het vervoegen van zwakke werkwoorden wordt –de of –te achter de stam van het werkwoord geplakt in de verleden tijd. Om te weten of je –de of –te moet gebruiken kijk je naar 't kofschip. 't Kofschip bevat de medeklinkers t, f, k, s, ch en p.
Omdat is een onderschikkend voegwoord: in de erop volgende bijzin staat de persoonsvorm achteraan. Ik open het raam, want het is hier veel te warm. Ik open het raam omdat het hier veel te warm is. Hij kon niet komen, want hij had geen tijd.