In plaats van een volledig orgaan te vervangen, worden enkel orgaanspecifieke cellen getransplanteerd: cellen van de hartspier na een hartinfarct, van het gewricht bij artrose, van de pancreas bij diabetes of van het ruggenmerg bij bepaalde vormen van verlamming.
Cellen van de ooglens, zenuwcellen, zenuwcellen van de hersenschors en de meeste spiercellen gaan een leven lang mee, maar worden niet vervangen als ze eenmaal dood zijn.
Rode bloedcellen leven 120 dagen, witte bloedcellen twee en bloedplaatjes tien dagen.
Zenuwcellen, hersencellen, hartspiercellen . Eenmaal beschadigd of vernietigd kunnen deze zichzelf niet vervangen.
Dit omvat neuronen, hartcellen, skeletspiercellen en rode bloedcellen . Hoewel deze cellen als permanent worden beschouwd, omdat ze zich niet reproduceren of transformeren in andere cellen, betekent dit niet dat het lichaam geen nieuwe versies van deze cellen kan creëren.
Er zijn maar enkele celtypen die nooit worden vervangen; veel zenuwcellen in de hersenen bijvoorbeeld gaan een leven lang mee. Waar die verschillen mee te maken hebben, is niet helemaal duidelijk. Mogelijk speelt het takenpakket een rol: cellen die hard moeten werken, leggen eerder het loodje.
Dat betekent niet dat de cellen zichzelf elke zeven tot tien jaar vervangen . Op individueel niveau vindt celvernieuwing in verschillende snelheden in het lichaam plaats. Cellen in onze dikke darm worden bijvoorbeeld elke drie tot vijf dagen vervangen, maar onze spier- en vetcellen kunnen tot wel 70 jaar nodig hebben om te vernieuwen.
Ook darmcellen en huidcellen zijn snel aan vernieuwing toe. Deze cellen gaan maar een dag tot een paar maanden mee. De Israëlische studie berekende dat je lichaam ongeveer elke 80 dagen het totale aantal cellen produceert dat in je lijf aanwezig is. Ook je lever blijft zich je hele leven lang vernieuwen.
Hoewel het waar is dat je cellen gemiddeld elke 7-10 jaar regenereren, 2 is er veel variatie. Je huidcellen worden bijvoorbeeld elke paar weken vervangen. Je verliest namelijk bijna 500 miljoen huidcellen per dag. Cellen in je skeletspieren doen er daarentegen wel 15 jaar over om te regenereren.
Kupffercellen zijn onregelmatig gevormde cellen die zich her en der tussen de endotheelcellen bevinden. Deze kupffercellen zijn zogeheten macrofagen ('vreetcellen'), omdat ze bacteriën en andere lichaamsvreemde stoffen die proberen het leverweefsel binnen te dringen, opnemen en verteren.
De langstlevende cellen zijn ' neuronen '. Neuronen zijn uniek omdat de volwassen cellen zich verzetten tegen deling om nieuwe cellen te creëren na de ontwikkeling in de foetus.
Eenmaal vanuit het beenmerg afgeleverd aan het bloed zullen de rode bloedcellen 100 tot 120 dagen in het bloed circuleren. Rode bloedcellen leven dus niet oneindig lang.
T-cellen herkennen vreemde cellen, zoals kankercellen, met hun 'voelsprieten', de T-celreceptoren. Deze receptoren controleren of cellen er normaal uitzien. Als de receptor een kankercel herkent, maakt de T-cel stoffen aan om de kankercel te doden.
Het lichaam herstelt de meeste schade, maar een klein deel ervan kan het niet repareren. Die 'roest' neemt elk jaar toe. “Onherstelbaar beschadigde cellen kunnen in senescence gaan: een soort winterslaap”, vertelt Peter.
Zenuwcellen , ook wel neuronen genoemd, behoren samen met skeletspiercellen en hartcellen tot deze groep. Traditioneel worden hiermee de menselijke weefsels aangeduid die niet spontaan kunnen regenereren.
Uiteindelijk sterven er ongeveer 330 miljard cellen en worden er elke dag ongeveer evenveel nieuwe geboren. Qua aantallen zijn rode en witte bloedcellen – die tussen één dag en meerdere maanden leven – verreweg het grootste deel, goed voor zo'n 90% van die omzet.
In plaats van een volledig orgaan te vervangen, worden enkel orgaanspecifieke cellen getransplanteerd: cellen van de hartspier na een hartinfarct, van het gewricht bij artrose, van de pancreas bij diabetes of van het ruggenmerg bij bepaalde vormen van verlamming.
De huid, de spieren, de botten en het bloed zijn opgebouwd uit eiwitten. Ook heeft het lichaam voortdurend eiwitten nodig om nieuwe cellen te maken en oude cellen te vernieuwen.
Een eicel is de grootste cel die we kennen van het menselijk lichaam (op de zenuwcellen na). Deze is ongeveer 0,2 mm groot en daarom zichtbaar met het blote oog. Een eicel is dus ongeveer 60.000 keer groter dan een spermacel.
7-14 jaar: de fase van de schoonheid
In deze fase leert het kind het Ik-gevoel te ontwikkelen. De individualiteit en het ego worden gevormd. Zelfexpressie is van groot belang in deze fase. Het ene kind zal zijn of haar plek in de wereld vorm leren geven door het volgen van toneellessen, het andere heeft sport nodig.
Ons lichaam kan zichzelf goed herstellen. Denk aan botbreuken en wondjes. Ons eigen lichaam doet dit door op de juiste plek en op het juiste moment en in de juiste hoeveelheid zogenaamde signaalstoffen af te geven. Een signaalstof is een soort instructie aan de cellen.
Meer vermoeid zijn, een gebrek aan energie of spierkracht en ook erectieproblemen kunnen voorkomen. Bij vrouwen heeft de veranderende hormoonhuishouding een veel directer effect. Ze merken het aan een steeds onregelmatiger wordende menstruatie. Tot deze uiteindelijke helemaal wegblijft.
Je lichaamstype is genetisch bepaald en kun je niet veranderen. Hoewel ieder lichaam anders is, onderscheiden we grofweg drie types; Ectomorf, Mesomorf en Endomorf. Dit noemen we de Somatotypes. De Amerikaanse psycholoog William Sheldon kwam hiermee in de jaren 40 van de vorige eeuw.
Een kernfysicus genaamd Paul Aebersold ontdekte dat “we elke een tot twee maanden de helft van onze koolstofatomen vervangen, en dat we elk jaar maar liefst 98 procent van al onze atomen vervangen ”, schrijft Levitt.