Twee allelen die samen voor één erfelijke eigenschap coderen.
Ieder gen op een chromosoom van de vader heeft een gelijk gen op het “partner”-chromosoom van de moeder. Deze genen spelen in de erfelijkheid de hoofdrol. Ieder genenpaar heeft een heel bepaalde taak in het opbouwen en laten functioneren van het lichaam.
Een gen zorgt voor (een deel van) een bepaald kenmerk, zoals haar- of oogkleur. Elk kenmerk heeft verschillende uitingsvormen. Oogkleur van bijvoorbeeld blauw of bruin zijn. Zo'n uitingsvorm noemt men een 'allel'.
Genen komen in verschillende varianten voor.Zo'n variant wordt een allel genoemd. Van elk gen heeft een diploïd organisme twee allelen: in de chromosomen liggen de allelen op dezelfde plaats (dezelfde locus). Of een gen homozygoot of heterozygoot is, is mogelijk door verschillen in de nucleotidenvolgorde van allelen.
Dominant betekent dat bij aanwezigheid van dit allel, ongeacht wat het andere gen is, de bijbehorende eigenschap tot uiting komt in het fenotype van het organisme. Een recessief allel is een gen dat alleen tot uiting komt wanneer er geen dominant allel aanwezig is.
Allelen kunnen dominant of recessief zijn. Dominante allelen kunnen een specifieke eigenschap beïnvloeden als iemand één of beide kopieën van het allel heeft , wat van slechts één of beide ouders kan komen. Bijvoorbeeld, de ziekte van Huntington is een dominante aandoening die wordt veroorzaakt door een insertiemutatie in het HD (soms HTT genoemd) gen.
Je berekent de graad van bloedverwantschap, door te kijken hoeveel genetisch materiaal van twee familieleden hetzelfde is. Je ouders en jij hebben de helft van de genen die je zelf ook hebt. Voor je broers en zussen geldt dat ongeveer de helft van de genen overeenkomt met die van jou.
Ieder mens heeft van elk autosomaal gen 2 allelen (1 op elk van beide kopieën van een chromosoom). Een tweetal gekoppelde nucleotiden (zie nucleotiden) A-T of C-G aan weerszijden van het dubbelstrengs DNA. Drie opeenvolgende nucleotiden die tezamen de code voor 1 aminozuur vormen.
We erven heel wat zichtbare en minder zichtbare kenmerken van onze ouders, zoals de kleur van huid en ogen, lichaamsbouw en bepaalde karaktertrekjes. Soms erven we ook bepaalde ziektes van hen.
Elke variatie van een gen wordt een allel genoemd (uitgesproken als 'AL-eel'). Deze twee kopieën van het gen in uw chromosomen beïnvloeden de manier waarop uw cellen werken. De twee allelen in een genenpaar worden geërfd, één van elke ouder . Allelen interacteren op verschillende manieren met elkaar.
"Alleel" is het woord dat we gebruiken om de alternatieve vorm of versies van een gen te beschrijven. Mensen erven één allel voor elk autosomaal gen van elke ouder, en we hebben de neiging om de allelen in categorieën te stoppen. Meestal noemen we ze normale of wild-type allelen, of abnormale of mutante allelen.
Een allel, afkorting van allelomorf, is een variant van een gen. Een gen codeert een erfelijke eigenschap, waarbij verschillende versies van een gen min of meer verschillende gevolgen kunnen hebben voor die eigenschap van een organisme.
Bij autosomaal dominante overerving is het zieke gen namelijk het sterkst. Dit overwint het gezonde gen dat je van je andere ouder krijgt. Als je het gen zonder de afwijking erft, dan heb je de aanleg voor de ziekte niet.
Een paar genen wordt dus een paar allelen genoemd en het wordt genotype genoemd. Mensen zijn diploïde organismen omdat ze twee allelen op elke genetische locus hebben, één allel van de vader en één allel van de moeder.
Van elk paar chromosomen is 1 chromosoom afkomstig van de vader en 1 van de moeder. De paren 1 tot en met 22 zijn voor mannen en vrouwen gelijk. Het 23e paar chromosomen bevat de geslachtschromosomen.
Een vrouw heeft 2 X-chromosomen. Dit schrijven we als 46,XX. Een man heeft 1 X en 1 Y-chromosoom.
Cognitieve functies zoals seks, voeding en agressie worden daarbij gelinkt aan het genetisch materiaal van de vader, terwijl de meest geavanceerde cognitieve functies zoals redeneren, denken, taal en plannen gelinkt worden aan het genetisch materiaal van de moeder.
Vaders geven altijd hun X-chromosoom door aan hun dochters en hun Y-chromosoom aan hun zonen. Omdat vrouwen twee X-chromosomen hebben, hebben dragers een tweede niet-pathogene (of 'wild type') kopie van het gen.
Met de lengte van de biologische ouders kan de verwachte lengte van een kind worden geschat. Zo krijg je een beeld van hoe lang je kind als volwassene zal zijn. Dit wordt de Target height (streeflengte) genoemd.
Vrouwen erven een X-chromosoom van de moeder en een X -chromosoom van de vader. Mannen krijgen een X-chromosoom van hun moeder en een Y-chromosoom van hun vader. Je moeder en vader geven ieder de helft van hun DNA door. Die halvering zet niet automatisch door naar de generaties daarvoor.
De menselijke ABO-bloedgroepallelen/-trek is een voorbeeld van een trek met meerdere allelen. Er bestaan drie verschillende allelen: allel A (I A ), allel B (I B ) en allel i (I O of i) . Als het allel A aanwezig is op het chromosoom, wordt proteïne A geproduceerd en bevatten de rode bloedcellen van dat individu proteïne A op hun membraan.
Een stille mutatie is een mutatie die geen enkel effect heeft. Dit komt omdat een stille mutatie optreedt in dat deel van het DNA dat niet noodzakelijk is voor het vormen van eiwitten of omdat de mutatie hetzelfde resultaat oplevert als het oorspronkelijke DNA.
Van ieder gen erf je een versie van je moeder en een versie van je vader. In de genen die van je ouders kreeg, zitten weer exemplaren van hun ouders, enzovoort. De exemplaren die jij van je (voor)ouders hebt geërfd, bepalen je eigenschappen, bijvoorbeeld je haarkleur of de kleur van je ogen.
Alle kinderen lijken wel een beetje op hun ouders. Dat komt omdat het uiterlijk wordt bepaald door het DNA dat ze van hun ouders meekrijgen. Dat DNA vormt chromosomen die in elk van de miljarden lichaamscellen in het lichaam zitten. In elke cel zitten 46 chromosomen, die altijd in 23 paren naast elkaar liggen.
Waarom maken broers en zussen ruzie? Ruzie en strijd tussen broers en zussen is heel normaal. Ze zijn “verplicht” tot samenwonen en hebben ieder hun eigen uitdaging in hun ontwikkelingsfase met de daarbij behorende vaardigheden die ze nog hebben te leren. Hierdoor komen ze vaak met elkaar in strijd.