Walnoot, kastanje, biet, pastinaak, knoflook, peen, venkel, tuinkers, dille, selderij, karwij, anijs, kervel, marjolein, wijnruit, koriander, appelsoorten, kersen, pruimen en perzik kregen na hun introductie een plaatsje in de nieuwe moestuinen en boomgaarden.
De archeologen vonden onder meer zaadjes van kersen, vijgen, druiven, perziken en meloenen. Dat wijst erop dat de Romeinen graag gezond snackten tijdens hun macabere uitje. Naast zaden en pitten vonden de archeologen ook verschillende munten die pechvogels daar waren verloren.
Ontbijt, lunch & avondeten
Hun ontbijt bestond uit brood en olijven, voor de rijke Romeinen dan. Arme mensen aten vaak pap dat met granen in melk werd gekookt. Tijdens de lunch aten de mensen brood met eieren of geitenkaas.
De aanwezigheid van de Romeinen brengt culturele en sociale veranderingen in het Nederlandse gebied. De Romeinen brengen het schrift, Romeinse rechtspraak, bouwtechnieken en een georganiseerde infrastructuur. Die laatste bestaat naast verharde wegen en bruggen ook uit een uitgebreid waternetwerk.
“Echte Romeinen dronken wijn, maar de 'ander' consumeert bier.” Toen de Romeinen verschillende delen van de wereld veroverden, brachten ze die ideologie met zich mee. Plinius was niet de eerste wijnsnob in de oudheid.
'Mede' gemaakt van honing is waarschijnlijk het oudste alcoholische drankje dat we kennen. Het werd 8000 jaar geleden al gedronken. Het is waarschijnlijk toevallig ontstaan doordat honing en water op een warme plek met gist in aanraking kwam. Bier was 5400 jaar voor Christus al bekend.
Voor de Romeinen was identiteit gebonden aan het soort water dat je dronk, de bronnen in jouw buurt of de rivier waarlangs je leefde. Met andere woorden: je bent wat je drinkt!
Gemiddeld waren er zo'n 15 toiletten. Daarlangs liep een goot en in het midden was er soms een fontein.In de goot liep stromend water waarmee men met behulp van een emmer het toilet kon doorspoelen. Naast elk toilet lag vaak een hulpmiddel klaar om de anus te reinigen.
Het grote legerkamp van Valkenburg was het duidelijkste en dreigendste teken van de macht van het Romeinse keizerrijk. De ontdekking ervan is een van de belangrijkste archeologische verrassingen van deze tijd. De prehistorische bewoners van Nederland waren kundige timmerlui.
In die tijd woonden er een paar stammen in Nederland. Zo had je de Friezen, de Bataven, de Cananefaten, de Tubanten en nog veel meer. Al die stammen van Keltische en Germaanse afkomst hadden geen algemeen leider en in Nederland was het dan ook een zooitje.
De Romeinen aten drie maaltijden gedurende een typische dag. De eerste maaltijd (ontbijt) werd het "ientaculum" genoemd. Het werd meestal rond zonsopgang gegeten en bestond uit brood en misschien wat fruit . De volgende maaltijd (lunch) werd het "prandium" genoemd. Het prandium was een heel kleine maaltijd die rond 11 uur 's ochtends werd gegeten.
Rijke mensen hebben vaak toegang tot exclusieve ingrediënten en chef-koks die gastronomische meesterwerken creëren. Kaviaar, truffels, foie gras en zeldzame wijnen zijn slechts enkele voorbeelden van ingrediënten die regelmatig op hun tafels verschijnen.
Daarnaast aten welgestelde Romeinen kip en gans, en bij een feestmaaltijd fazant, duif, struisvogel, lijster, patrijs en vis. Het dessert werd decoratief aangekleed met fruit, al of niet gezoet met honing. Tijdens de maaltijd vloeide de wijn rijkelijk.
Ze zwoeren bij ongezuurd brood en puls (graanpap). Desondanks werd zuurdesem bakken snel populair en nam het de plaats in van puls als basisvoedsel. Brood werd in de Romeinse tijd gemaakt van verschillende granen, maar voornamelijk van spelt en tarwe. In Italië groeide de populaire broodtarwe triticum aestivum slecht.
Normaal gesproken aten de Romeinen drie maaltijden per dag . Oorspronkelijk aten de Romeinen 's ochtends een klein ontbijt, het ientaculum, en rond twee uur 's middags een grote maaltijd, de cena, en later op de avond nog een kleine maaltijd, de vesperna.
De Romeinen vonden relmuizen een delicatesse. De muizen werden in speciaal gemaakte kleipotten met luchtgaten vetgemest met noten, kastanjes en eikels. Als ze dik genoeg waren werden ze geslacht en gevuld. De vulling werd gemaakt van worst en op smaak gebracht met peper en noten.
De geschiedenis begint met de Romeinen. Die noemden het gebied ten zuiden van de Oude Rijn 'Gallia Belgica' en het gebied ten noorden ervan 'Germania Inferior'. Na de Romeinse tijd bleef 'Belgica' bestaan als geografische term en het noorden werd 'Magna Frisia'.
De Romeinen gebruikten de term castrum voor verschillende groottes van kampen, waaronder grote legionairsforten, kleinere forten voor cohorten of hulptroepen, tijdelijke kampementen en 'marsende' forten. De verkleinwoordvorm castellum werd gebruikt voor forten, die doorgaans werden bewoond door een detachement van een cohort of een centuria.
Het Romeinse leger was een superieure krijgsmacht die eeuwenlang de dienst uitmaakte op het slagveld in en buiten Italië. Dankzij de lange diensttijd van de soldaten, soms meer dan twintig jaar, kon Rome bogen op geoefende eenheden die in slagkracht en tactiek vaak ver boven vijandelijke legers uitstegen.
De Romeinen maakten hun billen schoon met zeesponzen die aan een stok waren bevestigd , en de goot leverde schoon stromend water om de sponzen in te dopen. Dit zachte, tedere gereedschap werd een tersorium genoemd, wat letterlijk 'een veegding' betekent. De Romeinen hielden ervan om hun darmen op een comfortabele manier te verplaatsen.
De meeste huizen kregen pas aan het einde van de negentiende of begin twintigste eeuw een toilet in huis. Voor die tijd deden we onze behoefte nog in een emmer, op een po of in een soort openbaar toilet ergens in de buurt van je huis. Dat was in de meeste gevallen niet meer dan een gammel hokje boven een beerput.
Ja, de oude Grieken en Romeinen namen koude douches of baden . In het oude Griekenland werd gedacht dat koud water een bron van goede gezondheid was, en het was gebruikelijk dat mensen hun dag begonnen met een koude douche.
De Romeinen bouwden aquaducten in hun hele Republiek en later in hun Rijk, om water van buitenaf naar steden en dorpen te brengen. Aquaductwater voorzag openbare baden, latrines, fonteinen en particuliere huishoudens; het ondersteunde ook mijnbouwactiviteiten, maalderijen, boerderijen en tuinen.
De Romeinen beschouwden wijn niet alleen als drank, maar als een echt levensmiddel dat veel calorieën bood. Ze dronken de hele dag door wijn, maar verdund met water. Ook zure wijn en azijn werden als wijn beschouwd en gedronken. De welgestelden dronken fijnere wijnen.
De Islam stelt dat elke vorm van beneveling 'haram' (=slecht voor lichaam en ziel) is. Alles dat schade toebrengt aan psyche en lichaam en hierdoor de krachten van de mens aantast (teksten: al-Nisaa' 4:29; al-Baqarah 2:195) is verboden. Ook het kopen van alcohol is 'haram'.