Stel je een beschrijvende vraag, dan breng je iets in kaart: je beschrijft in je PWS een situatie, gebeurtenis of ontwikkeling. Stel je een verklarende of analyserende vraag, dan ga je op zoek naar de oorzaken, processen of gevolgen van een gebeurtenis of ontwikkeling. Vaak begint deze vraag met 'waarom'.
Een voorbeeld van een beschrijvende vraag is: 'Hoe werkt dit hier? ', 'Op welke plekken lukt het al?' ' Waar zien we hier vandaag al goede voorbeelden van? ' of 'Wat is hier nu eigenlijk aan de hand en wie heeft daar last van?
Beschrijvende vragen zijn vragen zoals "Wie is Columbus?", "Wat is tsunami?" of "Waarom is bloed rood?" , waarop antwoorden nodig zijn die definiërende informatie over de zoekterm bevatten, een speciaal fenomeen verklaren (bijv. een chemische reactie) of een specifieke gebeurtenis beschrijven.
In het begin van een onderzoekstraject ga je nadenken en beslissen waar je onderzoek over zal gaan. Dit leg je vast in een onderzoeksopzet of onderzoeksplan. Daarin bespreek je -ook al worden er allerlei andere termen voor gebruikt- het wat, waarom en hoe van het onderzoek.
Formuleer een open vraag
Begin hoofdvragen bijvoorbeeld met de volgende woorden: 'in hoeverre', 'welke' of 'wat'. Hiermee kun je gemakkelijk een open vraag formuleren en een breder onderzoek doen. Voorkom echter het gebruik van 'waarom' in je hoofdvraag. Dit maakt je onderzoek te breed en niet specifiek genoeg.
Open vragen beginnen met vragende voornaamwoorden als: hoe, wat, wie, wiens, welk, waar, wanneer, waartoe. Als je weet op welke gebieden de ander invloed wilt hebben, kun jij bepalen hoeveel ruimte jij kunt nemen. Uit de antwoorden kun je informatie halen waarmee je de ander kunt overtuigen.
Een voorbeeld van een onderzoeksvraag met deelvragen zou kunnen zijn: “Hoe kan de communicatie tussen medewerkers en leidinggevenden binnen organisatie X verbeterd worden?” De deelvragen kunnen bijvoorbeeld zijn: Hoe ziet de huidige communicatiestructuur eruit binnen organisatie X?
Beschrijvende vraag
Doel: een gebeurtenis of ontwikkeling in kaart brengen. Bij een beschrijvende vraag gaat het er dus om inzicht te krijgen hoe een historische gebeurtenis of ontwikkeling verliep.
Je bepaalt pas wat je precies wilt gaan onderzoeken als je een onderwerp voor je onderzoek hebt gevonden. Je stelt dan een onderzoeksvraag, ook wel hoofdvraag genoemd, op. Om zo'n hoofdvraag te kunnen stellen moet je goed weten wat je met jouw onderzoek wilt bereiken.
Beschrijvende kwesties gaan over hoe de wereld is of hoe deze is. Bijvoorbeeld: "Wat laat gras groeien?" Prescriptieve kwesties gaan over hoe de wereld zou moeten zijn en omvatten vaak morele of ethische zorgen zoals "We moeten onze CO2-voetafdruk verkleinen." De conclusie is meestal het antwoord of de oplossing van de auteur op de kwestie.
Causaal: Oorzaak en gevolg vragen Ontworpen om te bepalen of een of meer variabelen een of meer uitkomstvariabelen veroorzaken of beïnvloeden . Wat is het effect van oefening op de hartslag?
Verklarende vragen zijn er om de oorzaak van het probleem te achterhalen. Begin de formulering van deze vragen met woorden als 'wat', 'waardoor', 'hoezo' en 'hoe'.
Bij een beschrijvend onderzoek wordt er vaak geobserveerd en gemeten.Hier komen resultaten uit waar je vervolgens conclusies uit kunt trekken. Het kan een opzichzelfstaand onderzoek zijn of bijvoorbeeld een onderdeel van je scriptie. Bij een groot scriptieonderzoek is er vaak al een beschrijvende deelvraag aanwezig.
Voorbeelden van beschrijvend onderzoek
In de sociale wetenschappen kan een voorbeeld een studie zijn die de demografie van een specifieke gemeenschap analyseert om de sociaaleconomische kenmerken ervan te begrijpen . In het bedrijfsleven zou een marktonderzoek dat gericht is op het beschrijven van consumentenvoorkeuren een beschrijvende studie zijn.
Stel vragen die aanzetten tot historisch denken en redeneren. Dit zijn vragen zoals: - Wat zijn overeenkomsten en verschillende tussen tijden, gebeurtenissen, groepen mensen, personen, etc.
Er zijn zes stappen nodig om een beschrijvende onderzoeksvraag te formuleren: (1) kies uw startzin; (2) identificeer en benoem de afhankelijke variabele; (3) identificeer de groep(en) waarin u geïnteresseerd bent; (4) bepaal of de afhankelijke variabele of groep(en) als eerste, als laatste of in twee delen moeten worden opgenomen; (5) neem eventuele ...
LPD 2 De leerlingen situeren een historische vraag in het historisch referentiekader: tijd, ruimte en maatschappelijke domeinen.
Beschrijvende vragen, die het meest basale type kwantitatieve onderzoeksvraag zijn en proberen uit te leggen wanneer, waar, waarom of hoe iets is gebeurd . Vergelijkende vragen zijn handig bij het bestuderen van groepen met afhankelijke variabelen waarbij de ene variabele met de andere wordt vergeleken.
Er bestaan verschillende soorten onderzoeksvragen. Stel je een beschrijvende vraag, dan breng je iets in kaart: je beschrijft in je PWS een situatie, gebeurtenis of ontwikkeling. Stel je een verklarende of analyserende vraag, dan ga je op zoek naar de oorzaken, processen of gevolgen van een gebeurtenis of ontwikkeling.
Het begint met de onderzoeksvraag
In feite vraag je jezelf af wat je graag te weten wilt komen binnen het onderzoeksveld van je onderwerp. Je gaat een probleemstelling en onderzoeksvraag formuleren. Daarnaast bepaal je welk soort onderzoek je gaat uitvoeren. Deze stap noemen we het ontwikkelen van de onderzoeksopzet.
Een waarderende vraag is anders dan een beschrijvende of de verklarende. Het antwoord is altijd een eigen mening.In een dergelijk geval gaat het niet om de feiten alleen, maar hoe je er mee omgaat. De vraag 'Was het volgens jou een goede keuze om een industrieterrein aan te leggen op maar 4 kilometer van de stad?
Geef in je probleemstelling duidelijk aan waar en wanneer het probleem zich afspeelt, wie betrokken is bij het probleem en wie er last van heeft. Je beschrijft ook welke informatie over het probleem bekend is en wat al tevergeefs geprobeerd is om het probleem op te lossen.
Er is een consistente set van kenmerken die een sterke vraag beschrijven. Het is altijd open, tot nadenken stemmend en duidelijk . Wanneer u een klassikale discussie structureert, worden vragen het beste verdeeld in drie categorieën: opening, kern en afsluiting.