Nee, in een echte enkelvoudige zin kan in principe geen twee persoonsvormen staan. Een enkelvoudige zin bevat per definitie slechts één werkwoordelijke gezegde met één persoonsvorm. Zinnen met twee of meer persoonsvormen zijn samengestelde zinnen, die uit meerdere deelzinnen (hoofdzin/bijzin) bestaan. Onze Taal +5
Een samengestelde zin is een zin met 2 of meer persoonsvormen. Vaak staat tussen de 2 delen een komma of een voegwoord (allebei kan ook), maar dat hoeft niet. Een samengestelde zin heeft dus ook twee gezegdes. Een gezegde bevat namelijk alleen de werkwoorden die bij elkaar horen.
Enkelvoudige en samengestelde zinnen
Een enkelvoudige zin is een zin met één persoonsvorm en één onderwerp.
Een zin heeft altijd maar één onderwerp. Zodra je kind het onderwerp in een zin gevonden heeft, hoeft hij dus niet op zoek naar nog een onderwerp. Een samengestelde zin kan wel twee onderwerpen hebben.
Er kunnen meerdere persoonsvormen in een zin staan, je hebt dan te maken met een samengestelde zin met twee hoofdzinnen. Onze taal kent ook scheidbaar samengestelde werkwoorden. De persoonsvorm kan in dit geval gescheiden in de zin voorkomen.
De persoonsvorm is een werkwoord dat in iedere zin voorkomt. Dit werkwoord hoort bij het onderwerp in een zin. Het geeft namelijk aan wat het onderwerp is of doet. Een zin kan nooit meer dan één persoonsvorm hebben.
Het is zelfs heel goed mogelijk om meer dan één werkwoord in dezelfde zin te hebben : Hij dronk, at, ging naar bed en sliep goed.
Eenvoudige zinnen zijn zinnen die één onafhankelijke bijzin bevatten, met een onderwerp en een gezegde. In eenvoudige zinnen kunnen bijvoeglijke bepalingen, samengestelde onderwerpen en samengestelde werkwoorden/gezegden voorkomen. De standaardstructuur van een eenvoudige zin is onderwerp + werkwoord + object, oftewel SVO-volgorde .
Een zin met twee of meer persoonsvormen wordt een samengestelde zin genoemd. Deze bestaat uit meerdere deelzinnen die elk hun eigen onderwerp en persoonsvorm hebben. De deelzinnen worden vaak verbonden door voegwoorden zoals 'en', 'maar', 'omdat', 'terwijl' of 'want'.
Een eenvoudige zin kan twee onderwerpen hebben die de handeling uitvoeren, twee werkwoorden die door het onderwerp worden uitgevoerd, of beide . Deze elementen worden niet gescheiden door komma's.
Maak de zin vragend; de persoonsvorm komt vooraan. 2. Zet de zin in een andere tijd; het woord dat verandert is de persoonsvorm.
Een enkelvoudige zin bestaat uit één hoofdzin, en heeft maar één persoonsvorm, bijvoorbeeld: 'Lisa kijkt naar het journaal. ' Een samengestelde zin bestaat uit meerdere hoofdzinnen of heeft een of meer bijzinnen. Elke deelzin heeft een eigen persoonsvorm.
Als een onderwerp enkelvoud is, moet het werkwoord ook enkelvoud zijn; als een onderwerp meervoud is, moet het werkwoord ook meervoud zijn. In de tegenwoordige tijd vormen zelfstandige naamwoorden en werkwoorden het meervoud op een tegenovergestelde manier: zelfstandige naamwoorden voegen een 's' toe aan de enkelvoudsvorm; werkwoorden verwijderen de 's' uit de enkelvoudsvorm.
Voorbeelden van werkwoorden zijn gaan, slapen, blijken, zijn en veranderen. Werkwoorden geven aan in welke tijd de zin staat: de verleden tijd, de tegenwoordige tijd of de toekomende tijd. Dat kan allemaal in één werkwoord, maar er kunnen ook twee of meer werkwoorden voor gebruikt worden.
Het is vind jij in een vraagzin omdat het onderwerp ('jij') achter de persoonsvorm ('vind') staat; 'vindt jij' is fout, net zoals 'vind je' correct is en 'vindt je' niet. Het ezelsbruggetje is: staat 'jij' (of 'je') achter het werkwoord, dan vervalt de 't' (stam + geen t), staat het ervoor (bv. 'jij vindt'), dan blijft de 't' staan (stam + t).
De persoonsvorm is de vervoegde vorm van het werkwoord. De persoonsvorm past zich aan aan het onderwerp van de zin. Als het onderwerp bijvoorbeeld een enkelvoud is, zoals hij, dan is de persoonsvorm dat ook: hij loopt. Is het onderwerp een meervoud, bijvoorbeeld wij, dan is de persoonsvorm dat ook: wij lopen.
In een samengestelde zin zijn er meerdere persoonsvormen. Deze kun je vinden door de tijd van de zin te veranderen. Dus door bijvoorbeeld van de tegenwoordige tijd naar de verleden tijd of andersom te gaan.
Er zijn in totaal negen koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. Een ander kenmerk van koppelwerkwoorden is dat ze vervangen kunnen worden door een ander koppelwerkwoord uit het rijtje.
De tweede vorm enkelvoud (jij) mag met (jij wilt) of zonder t (jij wil), maar de vorm zonder t is informeler.
Net als alle zinnen is een eenvoudige zin minimaal opgebouwd uit een onderwerp en een werkwoord . Hij kan ook een direct en/of indirect object bevatten, evenals eventuele bijvoeglijke bepalingen.
Wat maakt een goede zin?
De zinnen van 2 woorden kunnen verschillende dingen betekenen. Met 'mama boek' kan je kind bijvoorbeeld bedoelen: 'mama ik wil een boek', 'mama, kijk een boek' of 'mama heeft een boek'. Je kind zegt niet de hele zin maar alleen de woorden die belangrijk zijn.
Antwoord en uitleg:
Een eenvoudige zin kan twee werkwoorden bevatten . Dit noemen we een samengesteld predicaat. De zin blijft een eenvoudige zin omdat hij slechts één onafhankelijke bijzin bevat. Een voorbeeld van een eenvoudige zin met twee werkwoorden is: 'De jongens speelden spelletjes en fietsten.'
De basisregels voor een koppelwerkwoord zijn bijna hetzelfde als voor een zelfstandig werkwoord. Er kan maar één koppelwerkwoord in een zin staan (tenzij het natuurlijk een samengestelde zin is).
Wanneer een zin meer dan één onderwerp per werkwoord heeft, vormen die onderwerpen een samengesteld onderwerp . Samengestelde onderwerpen kunnen enkelvoudig, meervoudig of een combinatie van beide zijn: TWEE ENKELVOUDIG: De hond en de kat storen me.