In een zin met een naamwoordelijk gezegde zit nooit een lijdend voorwerp, maar altijd een naamwoordelijk deel.
Lijdend voorwerp (LVW) kan nooit in zin met NWG. Meewerkend voorwerp= aan wie of voor wie.
Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin en een zinsdeel met een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord dat iets zegt over het onderwerp. Het naamwoordelijk gezegde geeft een toestand aan: het onderwerp is/ wordt/ blijft/ blijkt/ lijkt/ schijnt/ heet iets. De jongen is koning.
Het meewerkend voorwerp is een zinsdeel dat bij bepaalde werkwoordelijke en naamwoordelijke gezegdes kan of moet optreden en de zelfstandigheid aanduidt waarop de door dat gezegde en het lijdend of oorzakelijk voorwerp uitgedrukte werking gericht is. Vergelijk: 1A: (Hoeveel geef jij?) B: Ik geef een tientje.
Het lijdend voorwerp herkennen
Het kan grammaticaal onderwerp worden in een passieve zin. - 'Ik koop een nieuwe fiets' wordt dan 'Een nieuwe fiets wordt gekocht (door mij). ' Het lijdend voorwerp een nieuwe fiets is grammaticaal onderwerp van wordt in de passieve zin.
Wat is een lijdend voorwerp? Een lijdend voorwerp is een zelfstandig naamwoord dat de actie van het werkwoord ontvangt. Verwar het lijdend voorwerp niet met het onderwerp (het zelfstandig naamwoord dat de acties uitvoert) of het werkwoord zelf . Lijdende voorwerpen beantwoorden meestal de vragen "wat?" of "wie?" Laten we nog eens kijken naar het voorbeeld van het lijdend voorwerp hierboven.
Een lijdend voorwerp bevat altijd een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord. Niet in iedere zin staat een lijdend voorwerp. In een zin met een naamwoordelijk gezegde staat nooit een lijdend voorwerp.
Het naamwoordelijk deel van het gezegde kan een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord zijn, een tegenwoordig deelwoord, een voornaamwoord, een (voorzetsel)bijwoord, een heel werkwoord (infinitief), een woordgroep met een voorzetsel en een bijzin (een afhankelijke zin). Voorbeelden: Tomas is timmerman.
Wat is het verschil tussen het meewerkend en lijdend voorwerp? Het lijdend voorwerp is het deel van de zin dat de handeling ondergaat, terwijl het meewerkend voorwerp juist meewerkt aan de handeling.
Een werkwoordelijk gezegde dan doe je iets.Bijvoorbeeld: Ik ben een cadeautje aan het kopen.Een naamwoordelijk gezegde dan ben je iets. Bijvoorbeeld: Ronald Koeman is de nieuwe bondscoach.
Een voorbeeld van een zin met een naamwoordelijk gezegde is: 'De regen is nat'.Er wordt uitgedrukt dat 'regen' iets is, namelijk 'nat'.Het woord 'is' vormt hierbij het koppelwerkwoord, het koppelt het woord 'nat' aan de 'regen'.
Bij een naamwoordelijk gezegde is er altijd sprake van een koppelwerkwoord in combinatie met een naamwoordelijk deel, dat wordt dan samen met de rest van de werkwoorden het naamwoordelijk gezegde genoemd.
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit één of meerdere werkwoorden en één of meerdere (zelfstandige, bijvoeglijke, etc.) naamwoorden. Dit gezegde geeft altijd informatie over een eigenschap van het onderwerp (dat iets of iemand iets is of doet).
Zijn sleutels = lijdend voorwerp . De ruimtealien was blij dat hij een reservesleutel onder de vleugel had geplakt.
Transitieve werkwoorden . Een transitief werkwoord is een werkwoord dat een object nodig heeft om de actie te ontvangen. Voorbeeld: Correct: De spreker besprak verschillende marketingstrategieën in de video.
Soms is er in de zin geen lijdend voorwerp aanwezig, maar wel een meewerkend voorwerp.Dat is in twee situaties het geval: als de zin een naamwoordelijk gezegde heeft en als je te maken hebt met een lijdende (of passieve) zin. We leggen ze allebei hieronder uit.
Een lijdend voorwerp is de persoon of het ding dat direct de actie of het effect van het werkwoord ontvangt. Het beantwoordt de vraag "wat" of "wie". Een meewerkend voorwerp beantwoordt de vraag "voor wat", "van wat", "aan wat", "voor wie", "van wie" of "aan wie" en vergezelt een lijdend voorwerp.
OW'er, oorlogswinstmaker, een scheldwoord voor iemand die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Nederland profiteerde van de neutraliteit van Nederland om, bijvoorbeeld door speculatie in schaarse grondstoffen, hoge winsten te behalen. Ow (band): Belgische band.
Meestal vind je het meewerkend voorwerp als je de volgende vraag stelt: Aan wie (of wat) of voor wie (of wat ) + de rest van de zin? Het antwoord op die zin is het meewerkend voorwerp.
Een werkwoordelijk gezegde (wg) zegt wat iemand of iets doet: Timo gaat morgen met zijn ploeg roeien. Het werkwoord 'roeien' zegt wat Timo dóét. Een naamwoordelijk gezegde (ng) zegt wat iemand is (of wordt, blijft, lijkt).
In het naamwoordelijk gezegde is erg een bijwoordelijke bepaling bij goede. Goede is een bijvoeglijk naamwoord en erg zegt daar iets over.
Een zinsdeel kan nooit tegelijkertijd een lijdend voorwerp zijn en onderdeel van het naamwoordelijk gezegde zijn. Zoek eerst de persoonsvorm, het onderwerp en het gezegde. Het lijdend voorwerp = wie / wat + onderwerp + gezegde. Als de zin een naamwoordelijk gezegde heeft, dan is er geen lijdend voorwerp.
Directe objectpronomen worden meestal voor een vervoegd werkwoord geplaatst . Het voornaamwoord moet in geslacht en getal overeenkomen met het zelfstandig naamwoord dat het vervangt.
Een bijwoordelijke bepaling is een zinsdeel dat je iets vertelt over tijd, plaats, richting, reden, hoeveelheid. Het geeft antwoord op de vragen wanneer, waar, waarheen, waarom, hoe, hoeveel. Hoe vind je een bijwoordelijke bepaling? Bij zinsontleding zoek je eerst de persoonsvorm en het onderwerp van de zin.