Ja, lopen is een sterk werkwoord. Het vervoegt met een klinkerwisseling in de verleden tijd en krijgt een voltooid deelwoord op -en: lopen - liep - gelopen. Onze Taal +3
Er is sprake van een sterk werkwoord als het werkwoord in de verleden tijd een andere klank krijgt dan in de tegenwoordige tijd en als het voltooid deelwoord eindigt op -en. De klank van zwakke werkwoorden verandert niet als je ze in de verleden tijd zet.
Bij sterke werkwoorden verandert de klinker in de verleden tijd en eindigt het voltooid deelwoord op -en: lezen - las - gelezen. lopen - liep - gelopen. helpen - hielp - geholpen.
Een sterk of onregelmatig werkwoord is een werkwoord waarbij de klinker verandert in de verleden tijd: lopen – liep – gelopen, doen – deed – gedaan.
Toelichting. Uitpluizen is een sterk werkwoord. Bij de vervoeging van sterke werkwoorden verandert de stamklinker: ik pluis uit wordt in de verleden tijd ik ploos uit en in de voltooide tijd ik heb uitgeplozen. Bij sommige werkwoorden is zowel een sterke als een zwakke vervoeging mogelijk.
Een sterk zuur geeft al zijn H+ ionen af, terwijl een zwak zuur dit slechts voor een deel doet. Voorbeelden van sterke zuren zijn: zoutzuur (maagzuur); zwavelzuur.
Andere zwakke werkwoorden zijn onder andere de basisvormen van elk werkwoord, zoals rennen, lopen, zeggen, zitten.
Het is een samengesteld werkwoord als het om de sport/hobby hardlopen gaat: 'joggen, rennen om je conditie te vergroten of in wedstrijdverband'. Het bijvoeglijk naamwoord hard en het werkwoord lopen zijn samengesmolten tot één geheel met een eigen betekenis.
Als het werkwoord veranderd van de verleden tijd naar tegenwoordige tijd en andersom is het een sterk werkwoord (sterk genoeg om te veranderen). Bijvoorbeeld: ik liep -> ik loop. Als het werkwoord niet veranderd in verschillende tijden is het een zwak werkwoord (te zwak dus kan niet veranderen).
Een zwak of regelmatig werkwoord is een werkwoord waarbij de klinker gelijk blijft in de verleden tijd. (De klinker is als het ware te 'zwak' om te veranderen.)
Lopen is een grammatisch zwak werkwoord, terwijl zwemmen een grammatisch sterk werkwoord is , dus je vervoegt ze anders. Het gaat allemaal terug naar de Germaanse wortels van het Engels en de gebroeders Grimm (ja, de sprookjesmakers). Wat zijn sterke en zwakke werkwoorden?
Ezelsbruggetje: 't ex-kofschip
Ik bak een taart → Stam eindigt op k (zit in het ex-kofschip), dus: ik bakte een taart. Hij mist de bal → Stam eindigt op s (zit in het ex-kofschip, dus: hij miste de bal. Ik verf de muur → Let op! De stam is verv.
Sterke werkwoorden zijn werkwoorden waarvan de klank verandert als het werkwoord wordt omgezet in voltooide tijd. Daarnaast hebben ze geen achtervoegsel (-te of –de) nodig. De klank van sterke werkwoorden verandert als het werkwoord wordt omgezet in voltooide tijd.
Een sterk werkwoord is een werkwoord dat specifiek, beschrijvend en suggestief is . Een sterk werkwoord kan veel zwakkere woorden, zowel werkwoorden als bijwoorden, vervangen om een precieze en memorabele betekenis over te brengen.
Een sterk werkwoord is een werkwoord waarbij in de vervoeging (in de zogenaamde hoofd- of stamtijden) klinker- en soms ook medeklinkerveranderingen optreden, bijvoorbeeld eten – at – gegeten; bederven – bedierf – bedorven; brengen – bracht – gebracht.
1 [ intransitief, transitief ] zich ergens heen bewegen door de ene voet voor de andere op de grond te zetten, maar zonder te rennen. De baby leert net lopen. "Hoe ben je hier gekomen?" "Ik ben gelopen." + bijwoord/voorzetsel. Hij liep langzaam bij haar vandaan.
Lopen definities
1) (van een mens of dier) stappend een afstand afleggen Vervoegingen: heeft gelopen (volt. deelw.) Voorbeelden: 'Het is een kwartiertje lopen hiervandaan. ' , 'graag op sandalen lopen' , 'Mijn fiets is gestolen, dus ik ga lopend.
Tip: gebruik het werkwoord 'lopen', dan hoor je of het een persoonsvorm is (loopt) of een voltooid deelwoord (gelopen).
lopen + bijwoord/voorzetsel. Hij liep langzaam bij haar vandaan. De deur ging open en Jo kwam binnen. Ze had de bus gemist en moest naar huis lopen.
Het woord 'however' wordt al sinds de veertiende eeuw als voegwoordelijk bijwoord gebruikt. Net als andere bijwoorden kan het aan het begin van een zin staan. 'However' is echter zwaarder en heeft minder impact dan het eenvoudige 'but'.
Basen
De sterke zuren zijn zoutzuur, salpeterzuur, zwavelzuur, broomwaterstofzuur, joodwaterstofzuur, perchloorzuur en chloorzuur . Het enige zwakke zuur dat ontstaat door de reactie tussen waterstof en een halogeen is fluorwaterstofzuur (HF).
Er zijn geen regels voor. Er bestaan geen regels die bepalen welke werkwoorden een sterke of zwakke vervoeging (of allebei) hebben. Dat lopen - liep - gelopen sterk is en hopen - hoopte - gehoopt niet, is iets wat je als moedertaalspreker van het Nederlands gewoon 'weet'.