Het is je had. De vorm "je hadt" is onjuist in de standaardtaal. "Hadt" wordt alleen gebruikt in combinatie met 'gij' (gij hadt) of soms informeel in België, maar bij 'je' of 'jij' is de verleden tijd altijd zonder -t. Onze Taal +2
Gij hadt en hadt gij zijn de correcte vormen. Bij onregelmatige werkwoorden gaat de persoonsvorm bij ge/gij volgens de klassieke regel altijd uit op -t, ook in de verleden tijd en ook bij inversie. In grote delen van Nederland worden ge en gij haast niet meer gebruikt in gewone taal.
Het is " had je er een?". Je kunt geen twee vervoegde werkwoorden direct na elkaar gebruiken zonder iets dat de twee zinnen verbindt, en "had" is al vervoegd. Wanneer je "had" gebruikt, behoud dan de basisvorm van het werkwoord (in dit geval "had").
Als de stam van een zwak werkwoord eindigt op een medeklinker uit 't kofschip (dat wil zegen de letters: t, k, f, s, ch, p maar ook x) dan krijgt het werkwoord in de verleden tijd 'te' of 'ten' achter de stam. In alle andere gevallen komt er 'de' of 'den' achter de stam van het werkwoord.
Verkeerd is het voltooid deelwoord van verkeren. In zinnen waarin verkeerd juist is, is dus een andere werkwoordsvorm de persoonsvorm. Voorbeelden van zinnen waarin het voltooid deelwoord verkeerd juist is: Het kastje heeft altijd in goede staat verkeerd.
Gij werdt en werdt gij zijn de correcte vormen.
Uitleg dt-fouten in de tegenwoordige tijd
In de tegenwoordige tijd wordt bij de tweede persoon enkelvoud (je, jij) en bij de derde persoon enkelvoud (hij, zij, het) altijd een –t toegevoegd aan de ik-vorm. Dit hoeft niet als een werkwoord al eindigt op een –t (het is: hij zit en niet hij zitt).
"Heb je gegeten?" is de correcte zin . Het werkwoord 'have had' staat in de voltooid tegenwoordige tijd. Dit werkwoord beschrijft of je net gegeten hebt of niet.
In onze 'moeilijke' spelling van de werkwoorden zit één ding muurvast: als jij of je achter de persoonsvorm staat, valt de t weg: je bent - ben je, je hebt - heb je.
Ja, "had had" is grammatisch correct wanneer het in de voltooid verleden tijd wordt gebruikt om een actie te beschrijven die plaatsvond vóór een andere actie in het verleden .
'Heb je al ontbijt gehad?' 'Ja, ik heb ontbijt gehad' = dit is een 'voltooid tegenwoordige tijd ' of 'voltooid verleden tijd' = Ik voel me nu prima, mijn eieren en spek zitten in mijn maag, ik neem even een kopje koffie.
ik suis, jij suist, hij suist, wij suizen. ik suisde, wij suisden. ik heb gesuisd.
Het werkwoord verhuizen wordt als volgt vervoegd: ik verhuis, jij verhuist, wij verhuizen, jij verhuisde, wij verhuisden, wij zijn verhuisd. De stam (het hele werkwoord min -en) van verhuizen is verhuiz. Bij werkwoorden waarvan de stam op een z eindigt, verschijnt in de verleden tijd een d: verhuisde.
Ezelsbruggetje: 't ex-kofschip
Dat zijn dus de letters: t, x, k, f, s, c, h, p. Kijk mee: Ik bak een taart → Stam eindigt op k (zit in het ex-kofschip), dus: ik bakte een taart. Hij mist de bal → Stam eindigt op s (zit in het ex-kofschip, dus: hij miste de bal.