In het Frans gebruik je altijd een vorm van 'être' (zijn) of 'avoir' (hebben) als hulpwerkwoord. Dus: le passé composé = avoir/être + voltooid deelwoord. Bij de meeste voltooid deelwoorden gebruik je avoir als hulpwerkwoord. De werkwoorden waarbij je être gebruikt staan in het être-huis hieronder.
AVEC ÊTRE. Om te weten welke werkwoorden met être worden vervoegd in de passé composé moet je “MAARTEN P.R.” onthouden.
De 'être' regel
Het voltooid deelwoord past zich aan bij het onderwerp waar het bij hoort. Het krijgt dan, net als een bijvoeglijk naamwoord, een passende uitgang. Met être worden alle wederkerende werkwoorden (met -se-) vervoegd en een groot aantal werkwoorden die een beweging uitdrukken.
Het werkwoord être, dat "zijn" betekent, is een onregelmatig werkwoord dat niet de gebruikelijke regels voor vervoeging volgt. Het kan in verschillende tijden worden vervoegd, waaronder tegenwoordige tijd, verleden tijd, onvoltooid verleden tijd, conjunctief en toekomstige tijd. In het heden wordt être vervoegd als: Je suis .
Laten we het samen bekijken: Ik (je suis) - entree (ingang) Jij (tu es) - sortie (uitgang) Hij/Zij/Het (il/elle/on est) - fenêtre (venster) Wij (nous sommes) - porte (deur) Jullie (vous êtes) - allée (gangpad) Zij (ils/elles sont) - clé (sleutel) Dus, als je bijvoorbeeld wilt zeggen "Ik ben aangekomen," gebruik je het ...
Het werkwoord être (zijn) is een onregelmatig werkwoord in de tegenwoordige tijd .
Hoe vorm je de passé récent en de futur proche? De passé récent vorm je met venir de + infinitief. De futur proche met aller + infintitief.
De meeste werkwoorden krijgen avoir in de passé composé , maar werkwoorden die être krijgen, drukken vaak beweging of verandering van plaats, toestand of conditie uit, bijvoorbeeld aller (gaan), sortir (uitgaan), devenir (worden). Rester krijgt echter ook être in de passé composé en volgt deze regel dus niet!
Zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord en koppelwerkwoord.
De perfecte tijd van aller (gaan) is dus: je suis allé(e)- ik ging. tu es allé(e)- jij ging (informeel) il est allé - hij ging.
Je kunt bijvoorbeeld informatie trager verwerken, moeite hebben om je aandacht ergens bij te houden, last hebben van overprikkeling of erg moe zijn. De kans is groot dat je daardoor informatie mist en/of deze informatie moeilijker kan onthouden.
Een oude volkswijsheid is dat je 7 keer moet leren en 7 keer zult vergeten. Er zit een groot verschil tussen het kennen en het herkennen van informatie. Als je informatie herkent, betekent dat nog niet dat je het kunt navertellen of kunt toepassen. Door herhaling wordt informatie opgeslagen in het langetermijngeheugen.
De vuistregel is als volgt: 'Avoir' wordt gebruikt voor transitieve werkwoorden (dat wil zeggen, werkwoorden die een lijdend voorwerp hebben). Voorbeelden zijn 'Manger', 'Voir', 'Regarder' en 'Lancer'. 'Être' wordt gebruikt voor intransitieve werkwoorden (dat wil zeggen, werkwoorden die geen lijdend voorwerp hebben), met name werkwoorden van beweging.
De passé composé van 17 werkwoorden wordt gevormd door de tegenwoordige tijd van être (je suis, tu es, il est, nous sommes, vous êtes, ils sont) te combineren en vervolgens het voltooid deelwoord van het werkwoord dat de actie weergeeft toe te voegen .
Wederkerende werkwoorden en beweging
Werkwoorden zoals se lever (opstaan) of partir (vertrekken) worden altijd vervoegd met être. Dit geldt ook voor wederkerende werkwoorden die vaak in alledaagse situaties voorkomen. Voorbeelden: Je me suis levé(e) – Ik ben opgestaan.
Hoe vorm je de participe passé? De participe passé of het voltooid deelwoord vorm je door de stam van het werkwoord te nemen en daar de juiste uitgang aan te plakken. Parce que Maître Gims avait parlé à la serveuse, sa copine était jalouse. Omdat Maître Gims met de serveerster had gepraat, was zijn vriendin jaloers.
Een hulpwerkwoord is een werkwoord dat als 'hulp' bij het hoofdwerkwoord van de zin staat. In tegenstelling tot een zelfstandig werkwoord kan een hulpwerkwoord nooit zelfstandig voorkomen. Het komt altijd voor in combinatie met een ander werkwoord (een zelfstandig werkwoord of een koppelwerkwoord).
In het Nederlands heet de futur proche de onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd. Hiervoor gebruikt het Nederlands het werkwoord 'gaan', bijvoorbeeld: “ik ga zwemmen”.
Je hebt een hulpwerkwoord nodig (hebben of zijn) en een voltooid deelwoord. Het hulpwerkwoord (avoir/être) is altijd vervoegd. Dus de passé composé = hulpwerkwoord + voltooid deelwoord. Je maakt het voltooid deelwoord door er van het hele werkwoord af te halen en dan een é achter de stam te plakken.