Ongeveer 7000 jaar geleden kregen we de eerste boeren in ons land. Ze woonden op een vaste plaats en verbouwden gewassen op hun akkers. Voor die tijd trokken de mensen van plaats naar plaats en leefden van jagen en verzamelen.
Vanaf 12.000 jaar geleden begon de mensheid namelijk aan de meest ingrijpende verandering in haar geschiedenis: we begonnen met landbouw. In Nederland zien we 7600 jaar geleden de eerste boerendorpen ontstaan. Dat wordt vaak gezien als Grote Vooruitgang.
De boer of agrariër is ontstaan tijdens de neolithische revolutie toen de mens in plaats van te jagen sedentair werd. Een aantal jager-verzamelaars ging met hun gezin over tot het vangen van dieren om die te houden in een nederzetting. De eerste sociale stratificatie ontstond op deze wijze.
Jagers en boeren (15.000 v.Chr.– 2000 v.Chr.)
De eerste boeren in Limburg
Een nieuwe groep mensen trok Zuid-Limburg binnen en ging daar wonen. Ze bouwden boerderijen, verbouwden graan en hielden geiten en runderen. Ze zorgden voor hun eigen eten en hoefden niet steeds verder te trekken. Het waren de eerste boeren.
De eerste boeren kwamen hier ongeveer 7000 jaar geleden wonen. Ze leefden heel anders dan de jagers die al in ons land leefden. De boeren woonden op een vaste plek, in huizen gemaakt van stro, leem, takken en boomstammen. De bomen werden omgehakt met grote bijlen, een nieuwe uitvinding van de boeren.
Nederland is voor een groot deel aangespoeld, verwaaid, afgebroken en opgebouwd door de zee. Gedurende de ijstijden was er geen Noordzee. Wel was er een weids dal tussen de Lage Landen en Groot-Brittannië, dat werd doorsneden door voorlopers van de Maas, de Rijn en de Thames.
Zo is uit de etnografie bekend dat jagers en verzamelaars bij tijd en wijle het bloed van dieren drinken. Ook van herdersvolken is dit gebruik bekend. Zij mengen het bloed dan vaak met melk. Vanaf de nieuwe steentijd werd vermoedelijk melk gedronken in ons land.
De culturele en economische bloeiperiode in de Noordelijke Nederlanden tussen 1600 en 1700 wordt sinds de negentiende eeuw vaak de 'gouden eeuw' genoemd.
Uitgaande van gegevens uit de antropologie denken we dat de jagers-verzamelaars een animistisch geloof hadden, dus dat zij geloofden in de bezieling van alle dingen, dieren en planten. Met de overgang op het boerenbestaan gaan ook de seizoenen, de jaarcyclus van zaaien en oogsten, een belangrijke rol spelen.
“Boeren hadden ongeveer veertig koeien. Dat is nu veel te weinig om van te bestaan. Efficiëntie en mechanisatie hebben geleid tot veel minder agrarische bedrijven.
Landbouwstedelijke samenleving
maatschappij waarin een minderheid van de bevolking in steden met handel en nijverheid woont. Samenleving van jager-verzamelaars: maatschappij van nomaden die leven van wat ze vinden in de natuur.
Deze mensen jaagden op zoogdieren (land- en zeedieren) en visten. Naast het jagen speelde het verzamelen een grote rol, denk aan het verzamelen van planten, korstmossen, paddenstoelen, eieren van vogels en schaal- en schelpdieren (KARG, 2011).
Om te beginnen waren de bewoners van de Vruchtbare Halve Maan ongetwijfeld een van de eerste boeren, maar ze waren niet de enigen. Archeologen zijn het er nu over eens dat landbouw onafhankelijk is "uitgevonden" in ten minste 11 regio's, van Centraal-Amerika tot aan China (zie kaart).
Op de akkers lieten de boeren graan groeien. Om de akkers te bebouwen maakten ze gebruik van ossen die hielpen hen bij het bewerken van de grond. Varkens hielden ze voor het vlees, geiten en schapen voor de melk.
In de vroegste prehistorie woonden mensen in grotten, in holen en in hutten. Mensen ontdekten reeds snel dat groepsverband een grotere veiligheid bood; hierdoor ontstonden dorpen en later steden.
Voor de momenteel meest gebruikte jaartelling geldt dat de Tweede Wereldoorlog plaatsvond in de 20e eeuw; de eenentwintigste eeuw bestaat uit de jaren 2001 t/m 2100. Hoewel de Gregoriaanse kalender toen nog niet bestond, bestaat de eerste eeuw – dus de eerste 100 jaren – uit de jaren 1 tot en met 100.
Wat kwam er na de ijzertijd? Het tijdperk dat bekend staat als de klassieke oudheid overlapt gedeeltelijk met de ijzertijd; het liep van de 8e eeuw v.Chr. tot de 5e eeuw n.Chr., met de sensationele opkomst en ondergang van zowel het oude Griekenland als Rome.
De geschiedenis van de Middeleeuwen gaat over een hele lange tijd, wel 1000 jaar. Daarom verdelen we deze tijd vaak in twee stukken: de vroege Middeleeuwen van 500 tot 1000 na Christus ( tijd van Monniken en Ridders), en de late Middeleeuwen van 1000 tot 1500 na Christus (Tijd van Steden en Staten).
Het voedsel dat de boeren aten was doorgaans eenzijdig: graan en peulvruchten, samen met melk en eieren.
Oude en jonge mensen dronken dagelijks een dun bier met een laag alcoholgehalte. Water werd niet veel gedronken: mensen in de middeleeuwen vonden dat water bedoeld was voor dieren. De hoeveelheid bier had tot ongeveer de negentiende eeuw niets te maken met hoe vuil het water was.
Onze prehistorische voorouders aten vroeger veel groenten en fruit, noten en zaden en vlees en vis. Dit 'oervoer' was rijk aan eiwitten en vezels en bevatte amper koolhydraten en verzadigde vetten. Het voedsel was puur en onbewerkt en volgens wetenschappers aten onze voorouders erg gezond.
In de prehistorie gingen mensen schrikbarend vroeg dood. Tot ongeveer 30.000 jaar terug. Toen werd vermoedelijk een deel van de mensheid vijftig jaar oud en was er zelfs een groep die de tachtig of negentig haalde.
Tijdens de laatste ijstijd kwamen er ook Neanderthalers voor. Ze waren een mensensoort en ze bestonden eerder dan de moderne mens (zoals jij en ik, wij allemaal hier in de klas). Een Neanderthaler wordt zo genoemd omdat er voor het eerst een schedel van deze 'mens' is gevonden in Duitsland, in het Neanderthal.
Waar komt het Nederlands vandaan? Het Nederlands maakt deel uit van de Inde-Europese taalfamilie. Volgens onderzoekers van het Max Planck Instituut in Nijmegen is de Indo-Europese taalfamilie afkomstig uit Anatolië, de plek waar nu Turkije ligt.