Een koppelwerkwoord is een werkwoord dat voorkomt in zinnen met een naamwoordelijk gezegde. In bijvoorbeeld 'Ik ben blij' gaat het om iets wat de 'ik' is (namelijk: blij). In deze zin is ben het koppelwerkwoord; blij is het naamwoordelijk deel van het gezegde.
Een koppelwerkwoord is een werkwoord dat het onderwerp van een zin 'koppelt' aan een naamwoordelijk deel (een zelfstandig of een bijvoeglijk naamwoord, of een equivalent daarvan). In tegenstelling tot een zelfstandig werkwoord kan een koppelwerkwoord nooit zelfstandig voorkomen.
In de Nederlandse taal komen in totaal negen koppelwerkwoorden voor: 'zijn', 'worden', 'blijven', 'lijken', 'blijken', 'schijnen', 'heten', 'dunken' en 'voorkomen'.
Het naamwoordelijk deel geeft een eigenschap aan van het onderwerp. Kijk bijvoorbeeld naar de volgende zin: Mijn buurvrouw is huisarts. Het koppelwerkwoord is verbindt het naamwoordelijk deel huisarts met het onderwerp mijn buurvrouw.
De belangrijkste koppelwerkwoorden zijn zijn, worden en blijven. Daarnaast worden ook de werkwoorden blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen als koppelwerkwoord gebruikt.
De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. In deze voorbeelden is steeds het hele naamwoordelijk gezegde gecursiveerd: Zij is voorzitter. Zij is voorzitter geweest.
(Zie hieronder voor voorbeelden.) De volgende werkwoorden zijn altijd koppelwerkwoorden : Zijn: (is, am, are, was, were, has been, have been, had been, is being, are being, was being, will have been, etc.)
Een werkwoordelijk gezegde dan doe je iets.Bijvoorbeeld: Ik ben een cadeautje aan het kopen.Een naamwoordelijk gezegde dan ben je iets. Bijvoorbeeld: Ronald Koeman is de nieuwe bondscoach.
Het koppelwerkwoord 'koppelt' een bepaalde eigenschap, functie of toestand aan het onderwerp. Bijvoorbeeld: 'Zij is directeur geweest'. Deze zin heeft twee werkwoorden: 'is' en 'geweest'. Het belangrijkste werkwoord is 'geweest', dat is een koppelwerkwoord van 'zijn'.
De term ' Network Withdrawal ' wordt door verschillende banken gebruikt, wat 'Network Withdrawal'-transactie betekent. NWD staat op het bankafschrift wanneer iemand geld opneemt bij de ATM (Automatic Teller Machine) van een andere bank.
Primaire koppelwerkwoorden zijn onder andere de werkwoorden ‘zijn’, ‘worden’, ‘lijken’, ‘lijken’, ‘blijven’, ‘voelen’, ‘kijken’, ‘ruiken’, ‘klinken’, ‘proeven’, ‘blijven’, ‘groeien’, ‘draaien’ en ‘bewijzen’. Hulpkoppelwerkwoorden worden ook wel hulpkoppelwerkwoorden genoemd en omvatten de werkwoorden ‘hebben’, ‘had’, ‘heeft’, ‘doen’, ‘deed’, ‘doet’ , ‘zal’ en ‘zou’.
Het naamwoordelijk gezegde kan variëren afhankelijk van de zin en wat er wordt beschreven. Het is echter altijd verbonden met een koppelwerkwoord, zoals "is," "lijkt," "smaakt," "wordt," enz.
Het nevenschikkende voegwoord maar verbindt gewoonlijk een hoofdzin met een voorafgaande hoofdzin. De twee zinnen kunnen dan één samengestelde zin vormen, maar dat hoeft niet.
Het gezegde van deze zin is wordt moe. Omdat daar een bijvoeglijk naamwoord in voor komt, spreken we hier van een naamwoordelijk gezegde. Het werkwoord wordt koppelt hier de eigenschap moe aan het onderwerp hij en is daarmee een koppelwerkwoord. Moe wordt ook wel het naamwoordelijk deel van het gezegde genoemd.
Na een voorzetsel volgt altijd een niet-onderwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord. Onderwerpsvormen zijn ik, jij/je, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie en zij/ze.
Als het werkwoord voor een actiewerkwoord staat, dan is het helpend.Als het voor woorden staat die het onderwerp beschrijven, dan is het verbindend .
NWU staat voor Naamwoordelijk Werkwoordelijk Uitdrukking. Dit is een term die in de Nederlandse taalkunde wordt gebruikt om een specifiek soort gezegde in een zin te beschrijven. De NWU is een combinatie van een werkwoordelijke en een naamwoordelijke uitdrukking.
Het naamwoordelijk gezegde (nwg) bestaat altijd uit een koppelwerkwoord. De koppelwerkwoorden zijn; zijn, worden, heten, blijven, schijnen, lijken, blijken, dunken en voorkomen. Het koppelwerkwoord koppelt het naamwoordelijk deel aan het onderwerp.
In een zin staat een werkwoordelijk gezegde (wg) of een naamwoordelijk gezegde (ng). Een naamwoordelijk gezegde bestaat niet alleen uit werkwoordsvormen. In het naamwoordelijk gezegde staat altijd een koppelwerkwoord.
Bij een naamwoordelijk gezegde is er altijd sprake van een koppelwerkwoord in combinatie met een naamwoordelijk deel, dat wordt dan samen met de rest van de werkwoorden het naamwoordelijk gezegde genoemd.
Statieve werkwoorden hebben vaak betrekking op: gedachten en meningen: akkoord gaan, geloven, twijfelen, raden, je voorstellen, weten, bedoelen, herkennen, herinneren, vermoeden, denken, begrijpen . gevoelens en emoties: niet leuk vinden, haten, leuk vinden, liefhebben, verkiezen, willen, wensen. zintuigen en percepties: verschijnen, zijn, voelen, horen, kijken, zien, lijken, ruiken, proeven.
Een onregelmatig werkwoord is een werkwoord die verandert van klank als het in een andere tijd komt te staan. Voorbeeld van een onregelmatig werkwoord: ik loop naar school. Ik loop wordt: ik liep. Het werkwoord verandert van klank als het in de verleden tijd staat.
Koppelwerkwoorden verbinden het onderwerp van de zin met aanvullende informatie over het onderwerp in plaats van een actie uit te drukken . Veelvoorkomende koppelwerkwoorden zijn vormen van "to be", "seem" en "become".