Vrouwelijke woorden zijn te herkennen aan het lidwoord 'die' of 'eine'. Bij het meervoud komt er de uitgang –en achter het zelfstandig naamwoord. Dus: die Frau wordt die Frauen .
In het Duits zijn zelfstandige naamwoorden mannelijk, vrouwelijk of onzijdig. Bij mannelijke woorden is het lidwoord 'der', bij vrouwelijke woorden 'die' en bij onzijdige woorden 'das'.
Het geslacht van een zelfstandig naamwoord wordt in een Duits woordenboek doorgaans aangegeven met de letters m (mannelijk), f (vrouwelijk), n of nt (onzijdig) of pl (meervoud) naast het woord .
Ieder zelfstandig naamwoord heeft in Duitsland namelijk een eigen geslacht. Bij mannelijke woorden is het lidwoord der, bij vrouwelijke woorden die en bij onzijdige woorden das. De meeste Duitse woorden zijn vrouwelijk. Het zijn er bijna evenveel als alle mannelijke en onzijdige woorden samen.
Ieder woord is vrouwelijk, mannelijk of onzijdig. Daar hoort een vast lidwoord bij. Het woordgeslacht zie je aan een (o), (m) of (v) achter het woord in het woordenboek. Bij onzijdige woorden gebruik je altijd het lidwoord “het” of “een”.
Het vrouwelijke geslacht wordt gebruikt om te verwijzen naar de zelfstandige naamwoorden en voornaamwoorden die de vrouwelijke tegenhangers van mensen, dieren en vogels benoemen . De Oxford Learner's Dictionary definieert het vrouwelijke geslacht als "behorend tot een klasse van woorden die verwijzen naar vrouwelijke mensen of dieren en vaak een speciale vorm hebben".
Vrouwelijke woorden zijn vaak herkenbaar aan hun vorm. Woorden die eindigen op: -heid, -nis, -ing, -st, -schap, – de, -te, -ij, -ie, -iek, -ica, -theek, -(i)teit, -tuur, -ade, -ide, -ode, -ude, -age, – ine, -se, -ee, -ose, -osis, -xis en -itis zijn meestal (maar dus niet altijd!)
der: bij mannelijke woorden heb je vaak + umlaut (") en + e, bijv: der Ball, die Bälle. Ook heb je dat als het woord eindigt op -el, -en of -er dat het woord in het meervoud hetzelfde blijft, bijv: der Onkel, die Onkel das: bij onzijdige woorden heb je vaak dat er een -e bij komt, bijv: das Heft, die Hefte.
De zelfstandige naamwoorden worden traditioneel verdeeld in vrouwelijke, mannelijke en onzijdige woorden. Vrouwelijke en mannelijke zelfstandige naamwoorden zijn de-woorden; onzijdige zelfstandige naamwoorden zijn het-woorden.
In het Duits wordt het toegewezen geslacht van het zelfstandig naamwoord 'gemarkeerd' door de woorden die ervoor komen … bijvoorbeeld door … der, die, das! Der geeft aan dat het volgende zelfstandig naamwoord mannelijk is [M]. Die, dat het zelfstandig naamwoord vrouwelijk is [V].
Der Hund (hond) is mannelijk . Die Katzte (kat) is echter vrouwelijk. Das Pferd (paard) is onzijdig. Das Hemd (shirt) is ook onzijdig.
Bibliothek is het Duitse woord voor bibliotheek. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord , dus het lidwoord dat u in de nominatief enkelvoud moet gebruiken is der. Het meervoud is Bibliotheken.
Als het zelfstandig naamwoord eindigt op -er, -en, -ig, -ling, -us, -mus, -or, is de kans groot dat het mannelijk is . Als het zelfstandig naamwoord eindigt op -in, -ion, -ung, -heit, -keit, -schaft, -ei, -ur, -ik, -tät, -anz, -enz, -ie, is het vrouwelijk.
Getallen en namen van vliegtuigen, schepen en bomen zijn meestal vrouwelijk : (die) zwei (twee), die Boeing 747, die Titanic en die Eiche (de eik). Zelfstandige naamwoorden uit andere talen met deze uitgangen zijn meestal vrouwelijk: -ade, -age, -anz, -enz, -ik, -ion, -tät en -ur.
Tijdens de Spelen van 1956, 1960 en 1964 heette het team simpelweg 'Duitsland' en werd de gebruikelijke landencode GER gebruikt, behalve in Innsbruck in 1964, toen de Oostenrijkse gastheer de Duitse taal 'D' voor Deutschland gebruikte .
Het Duitse voetbalelftal heeft sinds 2014 als thuistenue een witte broek en een wit shirt. Eerder speelde het meestal in een zwarte broek. Die kleurencombinatie was afgeleid van de vlag van Pruisen. De ontwerper van het 2014-tenue vond wit beter passen bij het gemak waarmee het team volgens hem speelt.
Mannschaft [v] (die ~) {zn.}
Zelfstandig naamwoorden met het lidwoord 'het' zijn altijd onzijdig. Hiernaar verwijs je met 'het' en 'zijn'. De-woorden zijn daarentegen mannelijk of vrouwelijk. Hiernaar verwijs je respectievelijk met 'hij' en 'hem' en met 'zij' en 'haar'.
De eerste naamval gebruik je voor het onderwerp, de tweede naamval om een bezitsrelatie aan te duiden, de derde naamval voor het meewerkend voorwerp en de vierde naamval voor het lijdend voorwerp.
Bij een zinsontleding vraag je altijd eerst naar het onderwerp. In dit geval is dan de vraag: Wer schießt ein Tor? (Wie maakt een doelpunt?). Het antwoord daarop is: der Fußballer (de voetballer). 'Fußballer' is het onderwerp van de zin en staat dus in de nominatief.
Bij mannelijke woorden is het 'le' (de/het) of 'un' (een) en bij vrouwelijke woorden is het 'la' (de/het) of 'une' (een). Le en la worden l' wanneer het voor een zelfstandig naamwoord komt die met een klinker of een stille h begint, zoals l'hotel (= het hotel). In het meervoud wordt altijd 'les' gebruikt.
Sommige de-woorden zijn mannelijk, bijvoorbeeld bal, film, strijd. Andere zijn vrouwelijk, bijvoorbeeld informatie, regering, gunst. Een groot aantal de-woorden kan zowel mannelijk als vrouwelijk zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor stad, vaas, school, deur, taal, groep en jas.
Spaanse lidwoorden
De 'de' en 'het' van het Spaans zijn el (enkelvoud) en los (meervoud) als het gaat om mannelijke woorden. Vrouwelijke woorden krijgen het lidwoord la of las.