Samengevat: "De" is een bepaald lidwoord en verwijst naar iets specifieks. "Een" is een onbepaald lidwoord en verwijst naar iets niet-specifieks. "Geen" is een ontkennend lidwoord en geeft aan dat er niets van het genoemde type is.
Onbepaald: een, geen
de en het ('t) zijn bepaalde lidwoorden, een ('n) en geen noemen we onbepaald.
Het is geen onbepaald zelfstandig naamwoord want het verwijst niet naar iets, zoals bijvoorbeeld 'de man heeft een snor'. Hier is 'snor' een onbepaald zelfstandig naamwoord omdat het niet naar een specifieke snor verwijst en wordt voorafgegaan door een onbepaald lidwoord.
Geen wordt gebruikt om een onbepaald zelfstandig naamwoord te ontkennen. In een aantal gevallen is zowel geen als niet mogelijk, omdat de ontkenning zowel op het zelfstandig naamwoord als op het gezegde of de hele zin kan slaan.
Er zijn drie lidwoorden: de, het en een. Een is het onbepaald lidwoord: het duidt iets aan wat nog niet nader bekend is op het ogenblik dat er het eerst over wordt gesproken.
Een is het onbepaald lidwoord. Lidwoorden staan voor een zelfstandig naamwoord, zoals vrouw, bus, uur. Je kunt ze ook voor woorden plaatsen die je als zelfstandig naamwoord gebruikt, zoals een werkwoord (zoals 'Het wachten duurde lang') of een bijvoeglijk naamwoord ('Er is een rode en een blauwe muts. Mag ik de rode?
We gebruiken het onbepaalde lidwoord, a/an , bij enkelvoudige zelfstandige naamwoorden als de luisteraar/lezer niet precies weet naar welke we verwijzen: De politie is op zoek naar een 14-jarig meisje. We gebruiken het ook om aan te geven dat de persoon of het ding tot een groep behoort: Ze is een leerling van de London Road School.
Eigenlijk zijn de telwoorden uit deze beide rijen vanaf miljoen zelfstandige naamwoorden. Er wordt namelijk meestal één voor gezet. Woorden als: nul, geen, paar, beide, dozijn, gros worden ook tot de (bepaalde) hoofdtelwoorden gerekend, omdat ze aan het aantal van 0, 2, 12 of 144 worden gekoppeld.
In veel Nederlandse zinnen komen de woorden 'de', 'het' en/of 'een' voor. Deze woorden staan ook wel bekend als lidwoorden. Ondanks dat deze woordsoort maar uit drie woorden bestaat, wordt er veel aandacht aan besteed op de basisschool.
Ontkennende lidwoorden: "Geen" is het ontkennende lidwoord in het Nederlands. Het wordt gebruikt om aan te geven dat er helemaal geen zelfstandig naamwoord van het genoemde type aanwezig is. Bijvoorbeeld: "Ik heb geen tijd om te lunchen." Hier geeft "geen" aan dat er geen tijd beschikbaar is voor lunch.
"None" is een onbepaald voornaamwoord , wat betekent dat het zowel enkelvoud als meervoud kan zijn. Leer hoe je "none" correct gebruikt, een woord dat vaak verward wordt in de Engelse grammatica.
Bijvoeglijke naamwoorden krijgen geen buigings-e bij enkelvoudige het-woorden in combinatie met het lidwoord een ('n) of een ander woord dan de hierboven onder punt 3 genoemde woorden, bijvoorbeeld één, een beetje, elk, geen, genoeg, ieder, menig, veel, weinig, welk, zo'n, zulk.
Een onbepaald voornaamwoord wordt gebruikt om iets niet-concreets aan te duiden, dus verwijst niet naar specifieke personen of dingen. De onbepaalde voornaamwoorden die in onze taal regelmatig voorkomen zijn: iets, niets, alles, iedereen, iemand, niemand, andere(n), elk(e) en ieder(e).
Bepaald of onbepaald
Een is een onbepaald lidwoord. Als je zegt dat je een film wilt zien, ga je er vanuit dat de lezer of luisteraar niet weet over welke film het gaat (en jijzelf misschien ook nog niet). Soms kun je het lidwoord weglaten; het gaat dan vaak over een concept, ofwel iets wat je niet kunt vastpakken.
Voorzetsels zijn woorden zoals op, onder, in, door, behalve, tussen en tegen. Ze geven de relatie (bijvoorbeeld tijd, plaats of reden) aan tussen het woord waar ze voor staan en de andere woorden in de zin: tijdens de vakantie, in de scriptie, vanwege het slechte weer.
Het woordgeslacht zie je aan een (o), (m) of (v) achter het woord in het woordenboek. Bij onzijdige woorden gebruik je altijd het lidwoord “het” of “een”. Mannelijke en vrouwelijke woorden krijgen altijd “de” of “een” als lidwoord.
Er zijn drie lidwoorden: de, het en een. Een lidwoord (of: artikel) staat vóór een zelfstandig naamwoord en drukt daarvan de bepaaldheid uit: de en het zijn bepaalde lidwoorden (of: lidwoorden van bepaaldheid); een is het onbepaald lidwoord (of: lidwoord van onbepaaldheid).
Na een voorzetsel volgt altijd een niet-onderwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord. Onderwerpsvormen zijn ik, jij/je, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie en zij/ze.
Boek, huis en woord zijn voorbeelden van het-woorden (ook wel: onzijdige woorden). Of een woord een het-woord (onzijdig woord) of een de-woord (een mannelijk of vrouwelijk woord) is, is iets wat je als kind vanzelf oppikt als je Nederlands leert.
We onderscheiden hoofdtelwoorden en rangtelwoorden. Hoofdtelwoorden noemen een aantal: een, twee, drie, vier, vijf enzovoort.Rangtelwoorden noemen een nummer in een reeks: eerste, tweede, derde, vierde, vijfde enzovoort. We maken ook een onderscheid tussen bepaalde en onbepaalde telwoorden.
geen. geen pronoun Uitspraak: [ xen ] 1) niet één Er was geen mens te zien. (er was niemand te zien) Ik snap er geen woord van. (ik snap er helemaal niets van) 2) niet Voorbeelden: 'Ik wil geen melk maar karnemelk.
Onbepaalde hoofdtelwoorden zijn hoofdtelwoorden waaraan niet kan worden afgelezen om welk aantal het precies gaat: al, alle, allemaal, enig(e), enkel(e), ettelijke, evenveel, genoeg, hoeveel, luttel, meer, meerdere, meest, menig(e), minder, minst, niemendal, sommige, tig, veel (vele), verscheiden(e), verschillende, ...
Lidwoorden worden gebruikt voor zelfstandige naamwoorden of zelfstandige naamwoord-equivalenten en zijn een soort bijvoeglijk naamwoord. Het bepaald lidwoord (de) wordt gebruikt voor een zelfstandig naamwoord om aan te geven dat de identiteit van het zelfstandig naamwoord bekend is bij de lezer. Het onbepaalde lidwoord (een, een) wordt gebruikt voor een zelfstandig naamwoord dat algemeen is of wanneer de identiteit ervan niet bekend is .
Voorbeelden van talen zonder lidwoorden zijn het Latijn, het Russisch en het Fins. Andere talen, waaronder het Iers (an) en het Esperanto (la), kennen alleen een bepaald lidwoord. Ook het Nederlands kende oorspronkelijk geen lidwoorden. In het Oudnederlands ontbraken ze nog, het Middelnederlands kende ze echter al wel.