De tweede soort zijn signaalwoorden voor argumenten die losstaan van andere argumenten (een soort van opsomming van argumenten). Voorbeelden daarvan zijn ten eerste, overigens en trouwens.
Zonder signaalwoorden van tijd, bijvoorbeeld, weet je als lezer niet of een tekst chronologisch of niet-chronologisch is opgebouwd en dan wordt een tekst een stuk minder duidelijk. Als een tekst met weinig signaalwoorden is geschreven, lijken de zinnen los van elkaar te staan en is de tekst lastiger te volgen.
Signaalwoorden zijn woorden zoals toen, of, maar, ook, of, dus, daardoor, ondanks, daarnaast en tegelijkertijd. Je gebruikt ze om je lezer te laten zien wat het verband is tussen verschillende zinsdelen, zinnen en alinea's.
Voegwoorden zijn ook vaak signaalwoorden. Die signaalwoorden vertellen je wat de 2 stukjes tekst met elkaar te maken hebben.
Signaalwoorden geven een signaal aan de lezer: 'Let op, er komt nu een nieuw onderwerp' bijvoorbeeld. Of een argument, een gevolg, een vergelijking, een voorbeeld, enzovoort.
Er bestaan signaalwoorden die verbanden tussen taal en werkelijkheid aanduiden (morgen, tussentijds), die bepaalde redeneringen ondersteunen (belangrijk, daadwerkelijk), die verbanden tussen alinea's aanduiden (desondanks, niettegenstaande), enzovoort.
Voorbeelden van Duitse signaalwoorden zijn: Auch (ook) Und (en) Außerdem (bovendien)
Redengevend verband: laat zien waarom iets gebeurt, binnen iemands invloedsfeer. Signaalwoorden: daarom, omdat, want, immers, dankzij.
Sleutelwoorden zijn de belangrijkste woorden uit een zin of tekst. Ze hebben altijd te maken met het onderwerp van de tekst.
Ook tijdsaanduidingen kunnen een signaal geven: In 1972, een jaar later, op 12 mei, sinds die tijd, enz. wijten aan, als gevolg van, dientengevolge, had als gevolg, wegens.
Signaalwoorden geven de lezer een seintje dat een zin of een alinea een reden, tegenstelling of conclusie, enz.weergeeft. Een goed gebruik van signaalwoorden verhoogt de duidelijkheid van je tekst aanzienlijk. Signaalwoorden zijn bijvoorbeeld want, omdat, maar, zoals, dus en tot slot.
Oorzaak/Gevolg wordt gebruikt om aan te geven hoe de feiten, gebeurtenissen of concepten het gevolg zijn van andere feiten, gebeurtenissen of concepten. Woorden die dit type tekststructuur aangeven zijn omdat, aangezien, daarom, als…dan, als gevolg van, dus en dus .
Chronologisch verband | tijd
Geeft een opsomming van gebeurtenissen in tijd. Zo zie je snel of iets in chronologische volgorde staat (of niet). Of ze geven aan wanneer iets gebeurd is. Vaak gebruikte woorden: voordat, nadat, eerst, vervolgens, daarna, wanneer, vroeger, later.
Effect wordt gedefinieerd als wat er gebeurde. Oorzaak wordt gedefinieerd als waarom iets gebeurde. Aanwijzingen die causale relaties signaleren zijn onder andere: zoals, omdat, dus, bijgevolg, daarom, aldus en aangezien .
bijwoorden van tijd: wanneer, morgen, vandaag, gisteren, binnenkort, onlangs.
Morgen is vanuit het actuele tijdstip (het nu) de dag die hierna om 12 uur 's nachts begint. In de 24-uurstijdsindeling begint een nieuwe dag om 0:00:00 en eindigt deze om 23:59:59. Vanuit een niet-actueel tijdstip wordt meestal gesproken van de dag daarop of daarna.
Signaalwoorden bij samenvatting
Een samenvatting kun je opmaken aan de volgende signaalwoorden: samengevat, al met al, kortom, samenvattend, zoals gezegd, terugblikkend, ofwel, oftewel, anders gezegd, het komt erop neer dat.
wanneer, toen, eerst, vervolgens, terwijl, daarna, nadat, voordat, vroeger, later, nu, nou, dan, als, al, bijna, dadelijk, inmiddels; Oorzaak en gevolg. daardoor, doordat, door, waardoor, zodat, ten gevolge van, wegens, vervolgens, zodoende, dankzij, te danken aan.
We noemen deze woorden ook wel signaalwoorden: ze geven de lezer op allerlei niveaus het signaal dat er tekstverbanden zijn. Er zijn er een heleboel van, maar een aantal veelvoorkomende zijn: maar, echter, daarentegen, hoewel, ook, vervolgens, ten eerste, ten tweede, daarbij, tenslotte, al met al en dus.
Een oorzakelijk verband is een zins- of alineaverband dat een oorzaak tussen zinnen of alinea's aanduidt. Signaalwoorden die zo'n verband kunnen aanduiden zijn: daardoor, hierdoor, doordat, zodat, waardoor. Voorbeeld: "Er brak brand uit in het stadion, waardoor de wedstrijd niet kon doorgaan."