Er bestaan verschillende vormen van anesthesie. De meest bekende is de algehele anesthesie, ook wel narcose genoemd. Bij regionale (plaatselijke) anesthesie kan een groot deel van het lichaam verdoofd worden, zoals een arm, een (onder-)been of zelfs het gehele onderlichaam.
De meest bekende is de algehele anesthesie of narcose, waarbij het hele lichaam wordt verdoofd en u tijdelijk buiten bewustzijn bent. Ook algemeen bekend is de lokale verdoving, waarbij een kleine stukje huid "plaatselijk" wordt verdoofd, b.v. om een wond te hechten.
Bij een plaatselijke verdoving wordt een gedeelte van het lichaam, bijvoorbeeld een arm of het gehele onderlichaam, tijdelijk gevoelloos en bewegingloos gemaakt.
De plaatselijke verdoving is even wat pijnlijk, maar van de operatie zelf voelt u niets. De operatiewond wordt meestal gehecht.
Veel gebruikte lokale anesthetica zijn articaïne, bupivacaïne, lidocaïne, novocaïne, mepivacaïne en ropivacaïne. Er zijn 2 hoofdgroepen lokale anesthetica: de esters en de amiden. De esters zoals procaïne en cocaïne worden nauwelijks meer gebruikt in verband met de hogere kans op allergische reacties.
Luister naar de uitspraak. (LOH-kul A-nes-THEE-zhuh) Een tijdelijk verlies van gevoel in een klein gebied van het lichaam veroorzaakt door speciale medicijnen genaamd anesthetica . De patiënt blijft wakker, maar heeft geen gevoel in het gebied van het lichaam dat behandeld is met het anestheticum.
Bij een lokale verdoving wordt met een echo en kleine prik een verdoving rondom een zenuw gelegd. Door deze zenuw te verdoven, is het gevoel ( en vaak ook de kracht) aan dit lichaamsdeel tijdelijk uitgeschakeld.
Moeheid is ook mogelijk en dit kan zelfs enkele dagen duren doch dit is eerder zeldzaam.
Pijn van lokale verdovingsinjecties treedt op bij zowel het inbrengen van de naald als bij de infiltratie van vloeistof . De naaldprik activeert paciniaanse bloedlichaampjes, mechanoreceptoren en de Ruffini-uiteinden, waarvan de afferente impulsen langs de A-δ-vezels worden getransporteerd om een scherpe, acute, prikkende pijn op te roepen.
Vaak is een plaatselijke verdoving na 4 uur helemaal uitgewerkt.Er zijn uitschieters tot 12 uren mogelijk.
Het is normaal dat u na de behandeling tintelingen voelt in uw arm of been. Dit komt meestal omdat de verdoving nog niet helemaal is uitgewerkt. Ook kan het zijn dat de zenuw door de verdoving wat geïrriteerd is geraakt.
Het verschil tussen sedatie en narcose
Bij heel diepe sedatie reageert je kind heel licht op pijn, maar kan het zich na afloop niets herinneren. Sedatie wordt ook wel 'roesje' genoemd. Bij narcose wordt je kind met medicijnen in een diepe slaap gebracht. Het reageert niet op pijn en kan zich na afloop niets herinneren.
Bij een ingreep of onderzoek onder algemene narcose moet u nuchter zijn zodat er bij de start van de anesthesie (of verdoving) geen maaginhoud in uw longen terechtkomt. U kunt tijdens de narcose immers niet slikken. U mag vanaf een vastgelegd moment vóór de ingreep of het onderzoek niet meer eten of drinken.
Zowel een roesje als narcose zorgen voor pijnbeheersing, maar narcose biedt een diepere en volledig pijnvrije staat. Diepte van sedatie: Een roesje biedt milde tot matige sedatie, terwijl narcose in een volledige vorm van pijnvrije ontspannenheid is.
Het toedienen van een verdoving gebeurt middels een prikje (spuit). De prik voel je wel maar is in veel gevallen niet pijnlijk. De plek van prikken kan wel enkele dagen gevoelig blijven.
Over lokale anesthesie
Alleen een deel van uw lichaam wordt verdoofd, zoals een arm of been. U krijgt een verdovingsmiddel rond de zenuw gespoten die bij dat lichaamsdeel hoort. Op de plek waar u geopereerd wordt, voelt u dan tijdelijk niets.
( ) Plaatselijke verdoving via een zenuwblokkade
De anesthesioloog blokkeert dan tijdelijk de zenuwen. Hij spuit een verdovingsmiddel in rondom een zenuwbaan. Hierdoor heeft u geen pijn tijdens de ingreep en een tijd na de ingreep. U blijft wakker tijdens de ingreep.
Het is niet verrassend dat onze studie aantoonde dat factoren die pijn veroorzaken, zoals de injectie van een lokaal verdovingsmiddel en het aanbrengen van een tourniquet op de bovenste ledematen, het meest waarschijnlijk angst veroorzaken . De aantallen waren in beide gevallen echter klein.
Angstverlichting: Angstige patiënten kregen premedicatie met anxiolytica zoals diazepam of alprazolam . Voor zeer angstige patiënten werd bewuste sedatie geïnduceerd met midazolam, pentazocine of propofol. Beide benaderingen maakten het gemakkelijker om naaldprikken te geven bij de meeste patiënten.
Zowel lidocaïne als bupivacaïne veroorzaakten postoperatieve aantasting van het verbale geheugen, de aandacht en de uitvoerende functie vanwege hun neurotoxische bijwerkingen . Lidocaïne bleek erger te zijn dan bupivacaïne, maar het verschil was statistisch niet significant.
Volgens één onderzoek blijkt dat de kans op blijvende verlamming of overlijden na een ruggenprik ligt tussen de 1 op 54 500 en 1 op 141 500 ruggenprikken. Blijvende letsel komen waarschijnlijk voor in 1 op 23 500 tot 1 op 50 500 spinale of peridurale inspuitingen.
Door verwijding van de interne sluitspier en prostaat kan een van tevoren al minder functionerende sluitspier in de problemen komen en urine doorlaten. Ook kan de sluitspier beschadigd raken. U kunt in de eerste fase na de operatie een verhoogde aandrang voelen. U kunt deze dan moeilijk uitstellen.
Een stevige wandeling maken, een fietstochtje maken of zelfs een paar minuten jumping jacks doen , helpt om de gevoelloosheid op natuurlijke wijze te verminderen. Actief zijn stimuleert de bloedstroom in het lichaam, wat helpt om de anesthesie weg te voeren van de injectieplaats.
Bij sedatie krijgt u dezelfde medicijnen als bij narcose, maar veel minder. U gaat daardoor slapen, maar blijft zelf ademen. Wanneer u wakker wordt, kunt u zich niets meer herinneren van de ingreep.
“Bij een algehele verdoving stop je met ademhalen en daarom krijg je een adembuisje in de luchtpijp, waar je overigens niets van voelt, en word je op de beademingsapparatuur aangesloten.