De combinatie ook al wordt in z'n geheel tot de toegevende voegwoorden gerekend. Ook al is dus vergelijkbaar met hoewel, maar gedraagt zich anders. Vergelijk: Hoewel hij de details niet begrijpt, kan hij het plan toch goed verkopen.
Voegwoorden zijn woorden die zinnen met elkaar verbinden, en voegwoorden geven ook aan wat het verband is tussen twee zinnen. Voorbeelden van voegwoorden zijn: 'maar', 'want', 'omdat', 'doordat', 'en', 'dus' en 'of'.
Voegwoorden zijn verbindingswoorden. Ze verbinden twee of meer stukken van een zin of hele zinnen met elkaar, maar maken daar zelf geen deel van uit. Een voegwoord verbindt vaak twee zinnen aan elkaar, in veel gevallen gaat het om een hoofdzin en een bijzin. De meestvoorkomende 'verbindende' voegwoorden zijn dat en of.
Meestal komt er geen komma voor de nevenschikkende voegwoorden en en of. Hij eet graag cornflakes, havermoutpap, boterhammen en spiegeleieren.
Voegwoord. Een woord dat (deel)zinnen verbindt. Jan zei dat hij ziek was, maar hij was er toch.
Een opvallend verschil tussen voorzetsels en voegwoorden wordt geïllustreerd in de voorbeelden (c), (d), (f) en (h): voorzetsels gaan vooraf aan een niet-onderwerpsvorm van een persoonlijk voornaamwoord, zoals in buiten mij, terwijl voegwoorden de onderwerpsvorm selecteren, zoals in behalve ik, dan ik,en zoals ik.
ANS | 10.3.8 Voorwaardelijke voegwoorden: als, wanneer, indien, ingeval, zo; mits, tenzij, tenware.
Voor een voegwoord hoor je meestal een korte pauze als je de zin hardop voorleest. Deze pauze markeer je als je schrijft met een komma. Als je deze pauze niet hoort, mag je er ook voor kiezen om geen komma toe te voegen.
De briefnorm van het Belgische Bureau voor Normalisatie (NBN) geeft als richtlijn om na de slotformule geen komma te plaatsen, maar vermeldt daarbij wel dat een komma mogelijk is. U kunt uw eigen voorkeur volgen. In Nederland is het gebruikelijk om de komma te schrijven.
Andere voorbeelden van voorzetsels zijn: aan, achter, bij, binnen, boven, buiten, dankzij, door, gedurende, in, langs, naar, nabij, om, omstreeks, over, per, qua, rond, sinds, te, tegen, tegenover, tot, tussen, uit, van, vanaf, vanuit, via, volgens, voorbij, wegens, zonder.
Mits en tenzij zijn allebei voegwoorden, maar ze hebben een tegengestelde betekenis. Mits betekent 'als, op voorwaarde dat'; tenzij betekent 'maar niet als, behalve als'.
Voor het onderschikkend voegwoord omdat wordt vaak een komma gezet, maar de komma kan ook worden weggelaten. Kaneko gaat niet mee(,) omdat ze te veel rugpijn heeft.
Welke zin is beter: 'Fien is jarig, dus we vieren feest' of 'Fien is jarig, dus vieren we feest'? ! Beide zinnen zijn juist. Er is alleen een verschil in woordsoort: in de eerste zin is dus een voegwoord, in de tweede een bijwoord.
Je kind kan een hoofdzin en bijzin van elkaar onderscheiden door naar de plaats van de persoonsvorm te kijken. In een hoofdzin staat deze namelijk altijd (bijna) vooraan, terwijl hij in een bijzin meestal verder naar achteren staat. Voorbeeld: Sanne plukt appels van een boom, omdat ze een appeltaart wil bakken.
Als zinnen aan elkaar worden geplakt die niet gelijkwaardig zijn aan elkaar, dan zijn de zinnen onderschikkend verbonden. Er is dan een hoofdzin en een bijzin (soms zelfs meerdere bijzinnen).
Voegwoorden zijn en, maar, want, dat, omdat etc. Het zijn woorden die zinnen met elkaar verbinden. Als je twee of meer gelijkwaardige zinnen met elkaar wilt verbinden, gebruik je een nevenschikkend voegwoord (en, maar, want).
Tik geen komma na een korte hoofdzin of na een 'gewoon' eerste zinsdeel. Zet wél een komma bij zinnen die beginnen met voegwoorden als maar, omdat, want, hoewel en als de zin begint met een bijzin.
Nevenschikkende voegwoorden: en, of, maar, noch, dus, want, nog .
Deze voegwoorden verbinden coördinerende of grammaticaal gelijke delen van zinnen. Voeg een komma toe wanneer een coördinerende voegwoord twee onafhankelijke clausules verbindt. Een onafhankelijke clausule is een groep zinnen die op zichzelf kunnen staan als een individuele zin.
Het Engels kent zeven coördinerende voegwoorden : for, and, nor, but, or, yet, so. Deze kunt u zich herinneren met behulp van de ezelsbruggetjes FANBOYS: For geeft een causaal verband aan: “We vertrokken een dag eerder, want het weer was niet zo mild als we hadden verwacht.”
Hoewel is een voegwoord: een woord dat zinsdelen met elkaar verbindt. Ondanks is een voorzetsel, net als bijvoorbeeld bij, in, naar, met, tegen of dankzij. Voorzetsels zijn niet zomaar als voegwoord te gebruiken: 'Ondanks iedereen het ermee eens was ...' is niet mogelijk.
Voorbeelden van onderschikkende voegwoorden zijn dat (zoals in Ik zag dat de trein vertraging had), of (zoals in Ik weet niet of de trein vertraging heeft), terwijl, om, omdat, doordat, zodat, zodra, als, toen, hoewel, tenzij, voor zover.
Een onderschikkend voegwoord verbindt een hoofdzin met een bijzin. Er zijn heel veel onderschikkende voegwoorden, een paar voorbeelden zijn: wanneer, als, terwijl, omdat, alsof en tenzij.
Na een voorzetsel volgt altijd een niet-onderwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord. Onderwerpsvormen zijn ik, jij/je, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie en zij/ze.
Van de voegwoorden voor, voordat, eer, eerdat, aleer, vooraleer en alvorens behoren aleer, vooraleer en alvorens tot formeel taalgebruik; vooraleer is ook regionaal (het komt met name in België buiten formeel taalgebruik voor).