Arbeiders leefden in vieze, kleine en dicht op elkaar staande huisjes en ze maakten lange dagen in de fabrieken. Vroeger was dit ook al zo, maar na de industrialisatie bereikten de problemen een hoogtepunt. De fabrieken voelden voor de werkers als een gevangenis en het leek wel alsof ze geen moment rust meer hadden.
Op het platteland leefde men vooral van gewassen die men zelf teelde en van het vee dat men zelf grootbracht. Gezinnen die geen eigen boerderij hadden, hadden het vaak veel moeilijker om aan voldoende levensmiddelen te geraken. Arbeiders en loonwerkers moesten dus creatief omgaan met het weinige voedsel dat ze hadden.
De arbeiderswijken waren echte sloppenwijken, vaak zonder riolering en waterleiding. Naast deze slechte leefomstandigheden waren er ook slechte en gevaarlijke werkomstandigheden voor de arbeiders. De fabrieken waren onveilig en onhygiënisch.
Werken in de 19e eeuw: tot 14 uren per dag, 7 dagen in een week, 52 weken in het jaar, alle jaren van je leven tot je er letterlijk bij neerviel. Dat stond wie noodgedwongen de fabriek in trok te wachten.
1900? Door het wegvallen van de mogelijkheid om met huisnijverheid tegen de massafabricage te concurreren moesten mannen, vrouwen en kinderen in de fabrieken gaan werken om in hun levensonderhoud te voorzien.
De gemiddelde levensverwachting was vrij kort vergeleken met vandaag. Maar ze overleefden door te werken, voedsel te verbouwen en geld te verdienen . Je bleef warm in de winter met hout- of kolenvuren en door veel kleding te dragen. Veel mensen maakten deel uit van "uitgebreide families".
Het werk in de fabriek was vaak eentonig en geestdodend en de lonen waren laag. In de fabrieken werden ook vrouwen en kinderen op grote schaal in dienst genomen. De arbeidsomstandigheden waren slecht, de werkplaatsen waren vuil en gevaarlijk en er moesten lange werkdagen worden gemaakt.
Arbeiders leefden in vieze, kleine en dicht op elkaar staande huisjes en ze maakten lange dagen in de fabrieken. Vroeger was dit ook al zo, maar na de industrialisatie bereikten de problemen een hoogtepunt. De fabrieken voelden voor de werkers als een gevangenis en het leek wel alsof ze geen moment rust meer hadden.
In de 19e eeuw werkten veel Amerikanen zeventig uur of meer per week en de lengte van de werkweek werd een belangrijk politiek thema. Sindsdien is de lengte van de werkweek aanzienlijk afgenomen.
En door gebrek aan controle is het niet mogelijk om fabrieksarbeid door kinderen onmiddellijk uit te bannen. De Leerplichtwet van 1901 maakt een definitief einde aan de kinderarbeid. Vanaf dat moment zijn ouders verplicht hun kinderen van zes tot en met twaalf jaar naar school te sturen.
In de negentiende eeuw groeit de industrie hard in Nederland. Fabriekseigenaren maken gebruik van kinderarbeid omdat kinderen weinig kosten. Arme ouders laten hun kinderen werken om rond te komen. Het verzet tegen kinderarbeid groeit vanwege de slechte werkomstandigheden.
Toen de invoering der Ongevallenwet in 1900 voor het eerst het aanleggen van officieele loonstatistieken noodig maakte, kwam het ontstellende feit aan het licht, dat het doorsnee arbeidersloon in Nederland f 7 à 8 per week bedroeg.
Extreme armoede in 19e eeuw
Het probleem was groot in de negentiende eeuw. H.W. Lintsen en CBS-onderzoeker J. P. Smits en anderen hebben eens berekend dat rond 1850 in ons land 650 duizend Nederlanders, 21 procent van de bevolking, in extreme armoede leefden en afhankelijk waren van bedeling.
De Industriële Revolutie
Er waren enorme maatschappelijke kosten: de ontmenselijking van werk, kinderarbeid, vervuiling en de groei van steden waar armoede, vuil en ziekte floreerden. Kinderarbeid en armoede waren ook een kenmerk van het plattelandsleven, waar boerenwerk lange uren, zeer lage lonen en blootstelling aan alle weersomstandigheden met zich meebracht.
Agenda 2021-2024: de 22e eeuw begint nu | Publicatie | College van Rijksadviseurs.
Gaandeweg de negentiende eeuw gingen die twee steeds verder uit elkaar lopen. Eerst begon het sterftecijfer te dalen, als gevolg van toenemende welvaart en verbeterde hygiëne en gezondheidszorg. Later daalde ook het geboortecijfer, als gevolg van een daling van het kindertal.
Op basis van de bevindingen van moderne jagers-verzamelaars schatten antropologen en archeologen dat hun prehistorische soortgenoten waarschijnlijk slechts drie tot vijf uur per dag werkten, hoewel het aantal gewerkte uren gedurende het jaar waarschijnlijk sterk varieerde...
Fabrieksarbeiders moesten vaak 75 uur per week werken en ook deels op zondag. Ook kinderarbeid kwam veel voor.
Uitvinding van de telegraaf aan het begin, en de telefoon aan het eind van de eeuw maken de wereld kleiner dan hij was. Dankzij de machinale fabricage van papier en de uitvinding van de stoompers vinden Couranten, vooral na de afschaffing van het dagbladzegel, grote verspreiding onder de gezeten burgerij.
Het leven van een werknemer is ook niet homogeen, gedurende zijn hele leven, in verschillende stadia van het leven . De perceptie, het begrip en de behoefte van de dingen veranderen en variëren in verschillende periodes van het leven, zoals adolescentie, jeugd en ouderdom. De betekenis van sociale zekerheid is niet hetzelfde gedurende het hele leven van een werknemer.
De meesten woonden doorgaans met hun kinderrijke gezinnen in de steden, in kleine, bouwvallige en goedkope panden waar de middenstand of de elite niet meer in wilde wonen, zoals krotten of gebrekkige panden in mindere buurten.
In 1874 werd het Kinderwetje van Van Houten ingevoerd. Kinderen onder de twaalf jaar mochten niet meer in fabrieken en werkplaatsen werken. Maar veel fabrieken hadden nog steeds kinderen in dienst; er werd toch niet gecontroleerd. Daaraan kwam in 1900 een eind door de leerplichtwet.
Het juiste antwoord is D: ' Ze organiseerden vakbonden om problemen op de werkvloer aan te pakken .' In de jaren 1890 richtten stedelijke arbeiders vakbonden op om slechte werkomstandigheden en lage lonen te bestrijden, in plaats van zich aan te sluiten bij politieke bewegingen zoals de Populistische Partij.
Slechte levensomstandigheden van arbeiders waren niet iets nieuws, maar in de 19e eeuw namen ze ernstig toe. Door de massale industrialisatie en verstedelijking vanaf het begin van 19e eeuw werden de steden waar fabrieken stonden steeds groter. Deze plaatsen werden ook wel fabriekssteden genoemd.
In de 19e eeuw stonden revoluties centraal in de Europese geschiedenis en op alle terreinen van het dagelijks leven voltrokken zich grote omwentelingen. Mensenrechten en burgerrechten, democratie en nationalisme, industrialisatie en het vrijemarktstelsel luidden alle een periode van veranderingen en mogelijkheden in.