Schoolse vaardigheden zijn die vaardigheden die je kind nodig heeft om goed te kunnen leren en functioneren op de basisschool zoals veters strikken, voorbereidend lezen en schrijven, concentratie, knutselen of zelfstandig werken aan een taakje.
Over schoolvaardigheden. Voor het werken aan schoolse taken (zoals taal, rekenen en begrijpend lezen) zijn een aantal voorwaardelijke schoolvaardigheden nodig, zoals motivatie, sociaal-emotioneel welbevinden, motoriek, executieve functies. Maar ook voldoende taalvaardigheid.
Om te kunnen leren lezen, rekenen en schrijven moeten ze zich op een taak kunnen concentreren. Daarom wordt deze taakgerichtheid ook wel een 'schoolse vaardigheid' genoemd. Kinderen leren vanaf 4 jaar hun aandacht langere tijd ergens bij te houden. Daarvan leren ze ook hoe ze hun eigen gedrag kunnen sturen.
Hinkelen, met een bal overgooien, steppen, fietsen, springen en draaien zijn vaardigheden die kinderen op deze leeftijd veel oefenen. De fijne motoriek is nu zo ver dat je kind allerlei vormen tekent en soms zelfs al letters kan schrijven, meestal met dezelfde hand.
Gemiddeld kan een kleuter als hij vier jaar is tot tien tellen. Nog niet op de goede volgorde en hij zal geregeld een cijfer overslaan, maar het begin is er.
Maak gebruik van gespreksmogelijkheden: bevraag ideeën van kinderen kritisch en/of teken bezwaar aan tegen hun ideeën.Speel de beurt door, nodig kinderen uit om op elkaar te reageren. Deze gespreksmogelijkheden kunnen bijdragen aan meer stimulerende onderlinge interactie tussen de kinderen.
Sociale vaardigheden zijn de vaardigheden die betrekking hebben op de omgang met anderen. Deze vaardigheden hebben we nodig om op een positieve manier met andere mensen om te gaan. Hoe beter je vaardigheden zijn, hoe makkelijker het is om een connectie aan te gaan met mensen op je werk, thuis of in andere situaties.
Ontwikkelingspunten zijn eigenlijk eigenschappen die wij nog niet compleet beheersen, je kunt je op deze punten nog verder ontwikkelen. Een synoniem hiervoor is bijvoorbeeld, een verbeterpunt.
Studievaardigheden zijn vaardigheden die nodig zijn bij een studie. Het gaat om vaardigheden zoals het verzamelen en lezen van informatie, het onderscheiden van hoofd- en bijzaken, aantekeningen maken, samenvatten en presenteren.
Wat zijn de basisvaardigheden? Volgens SLO zijn basisvaardigheden een set aan taal-, reken- en burgerschapsvaardigheden die leerlingen nodig hebben, omdat ze onmisbaar zijn om te kunnen deelnemen aan de samenleving.
Op basis van deze definitie valt op te maken dat een aantal factoren van belang zijn binnen de cognitieve ontwikkeling, namelijk het geheugen, de cognitie en de aandachtsfunctie.
De pedagogische vaardigheden omvatten dus het vermogen om onderwijs en lesgeven te plannen, te initiëren, te leiden en te ontwikkelen met als uitgangspunt zowel algemene als vakspecifieke kennis van het leren van studenten . Pedagogische vaardigheden omvatten ook het vermogen om het lesgeven te verbinden met onderzoek in het onderwerp van interesse.
Je maakt in je werk gebruik van verschillende pedagogische vaardigheden. In totaal zijn er zes interactievaardigheden benoemd: sensitieve responsiviteit, respect voor autonomie, praten & uitleggen, structuur & continuïteit, ontwikkelingsstimulering en het begeleiden van interacties.
Structuur betekend hierin een vaste volgorde van handelingen. Hierbij kan gedacht worden aan een dagritme een vast ritueel voor het eten of een bepaald liedje voordat er geslapen gaat worden. Grenzen stellen gaat om het op een effectieve en positieve manier richting geven aan het gedrag van kinderen.
Basale interactievaardigheden
Deze vaardigheid betekent dat je gevoelig bent voor wat kinderen bezighoudt. Je merkt signalen en behoeften van kinderen op, begrijpt ze of probeert ze te begrijpen. Je bent ook in staat om daar passend op te reageren. Zo geef je kinderen het gevoel dat ze worden gezien.
Wanneer je peuter zo'n twee jaar oud is, kan hij zelf gaan 'tellen' door cijfers (meestal ð) op volgorde op te noemen en naar voorwerpen te wijzen om na te doen wat jij doet als je telt. Hij legt nog geen verband tussen het daadwerkelijke aantal en het corresponderende getal dat hij zegt.
Het leren kennen van kleuren, begint ergens als een kind tussen de twee en een half en drie jaar is. Op die leeftijd kunnen ze een aantal kleuren herkennen en benoemen. Als je kind drie jaar is en ze weet nog steeds het verschil niet tussen rood en blauw, maak je dan geen zorgen.
Meestal 2-3 jaar : In deze fase beginnen kinderen getallen van 1 tot 10 te herkennen tijdens hun peuterjaren. Deze vroege herkenning gebeurt vaak door middel van spel, interactieve activiteiten en blootstelling aan boeken met getallen als thema. Uitbreiding van vaardigheden op 3-4-jarige leeftijd: Op 3-4-jarige leeftijd breiden veel kinderen hun herkenningsvaardigheden uit tot 20.