de onvoltooid tegenwoordige tijd (of presens): hij woont, hij komt; de onvoltooid verleden tijd (of imperfectum): hij woonde, hij kwam; de voltooid tegenwoordige tijd (of perfectum): hij heeft gewoond, hij is gekomen; de voltooid verleden tijd (of plusquamperfectum): hij had gewoond, hij was gekomen.
De onvoltooid tegenwoordige tijd wordt gevormd door aan de stam van het werkwoord een uitgang toe te voegen. Voorbeelden van de onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.) zijn: ik werk, jij denkt, hij gaat, wij wandelen, jullie eten, zij dromen.
Je verwart je terminologie een beetje tussen werkwoordsvormen en tijden. De verleden tijd gebruikt de verleden tijd van een werkwoord.De voltooid tegenwoordige tijd gebruikt de voltooid deelwoordvorm van een werkwoord en een hulpwerkwoord. "Gereden" is een voltooid deelwoord.
Bij de onvoltooid verleden tijd gaat het over een handeling die op een exact moment in het verleden plaatsvond. Bij de voltooid verleden tijd gaat het om een afgeronde handeling ergens in het verleden. In een zin die in de onvoltooid verleden tijd staat, komt geen hulpwerkwoord voor.
De belangrijkste tegenwoordige tijden zijn de onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t. of presens) en de voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t. of perfectum). ik werk (o.t.t.) - ik heb gewerkt (v.t.t.) ik kom (o.t.t.) - ik ben gekomen (v.t.t.)
Om te bepalen of het voltooid deelwoord van een zwak werkwoord op een -d of -t eindigt, kan je kind 't kofschip gebruiken. Haal hiervoor eerst -en van het hele werkwoord af. Als de laatste medeklinker van het woord niet in 't kofschip zit, krijgt het werkwoord een d, anders schrijf je een t.
De onvoltooid toekomende tegenwoordige tijd (ottt)
Hiervoor moet je dus de verleden tijd gebruiken en niet de toekomende tijd. De toekomende tijd mag je wel gebruiken in je inleiding, maar het is beter om dit niet te doen.
Sommige werkwoorden hebben een zwakke én een sterke vorm:
(zwak) hängen - hängte- gehängt : Sie hat das Bild an die Wand gehängt. Dit komt hier door het gebruik van een lijdend voorwerp (das Bild). (Sterk) hängen-hing-gehangen: Das Bild hat an der Wand gehangen.
De verleden tijd gebruikt de verleden tijd van een werkwoord. De tegenwoordige voltooide tijd gebruikt de voltooid deelwoordvorm van een werkwoord en een hulpwerkwoord . “Ridden” is een voltooid deelwoord. “Has ridden” is de tegenwoordige voltooide tijd.
Een OTT werkt door alleen content te leveren wanneer een klant een verzoek indient . Ze doen dit in een unicast- of één-op-één-transmissiemethode. Dit betekent dat elk eindgebruikersapparaat een unieke verbinding met de contentbron opbouwt. De OTT werkt door een klant toe te staan om slechts één video naar één apparaat te streamen.
OTT, wat ook wel Streaming TV wordt genoemd, vertegenwoordigt alle content die rechtstreeks aan kijkers wordt geleverd door middel van een streaming-videodienst via internet, waarbij de traditionele settopbox voor de kabel wordt omzeild, en die meestal op een tv wordt bekeken.
De verleden tijd verschilt van de tegenwoordige tijd door een vervoeging (-de of -te) achter de stam of door een verandering van de klinker in de werkwoordsstam. Het verschil tussen de voltooide en onvoltooide tijd is dat er bij de voltooide tijd niet alleen een persoonsvorm in de zin staat.
onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.).Ik las en ze werkte zijn voorbeelden van de onvoltooid verleden tijd (o.v.t.).
b. Werkwoorden met een sterke vervoeging die archaïsch, verouderd of zeer formeel overkomt: lachen, dunken.
Een hulpwerkwoord is een werkwoord dat als 'hulp' bij het hoofdwerkwoord van de zin staat. In tegenstelling tot een zelfstandig werkwoord kan een hulpwerkwoord nooit zelfstandig voorkomen. Het komt altijd voor in combinatie met een ander werkwoord (een zelfstandig werkwoord of een koppelwerkwoord).
De onvoltooide tijd is een werkwoord in de tegenwoordige tijd (o.t.t.) dat een activiteit of toestand uitdrukt die nog bezig is of snel zal plaatsvinden m.a.w. nog niet voltooid is. Vb.: Ik lees een goed boek in de trein (= je hebt het boek nog niet uit!).
Het werkwoord verhuizen wordt als volgt vervoegd: ik verhuis, jij verhuist, wij verhuizen, jij verhuisde, wij verhuisden, wij zijn verhuisd. De stam (het hele werkwoord min -en) van verhuizen is verhuiz. Bij werkwoorden waarvan de stam op een z eindigt, verschijnt in de verleden tijd een d: verhuisde.
De correcte vervoeging is je/jij vindt.
Als het onderwerp je/jij achter de persoonsvorm staat, is de correcte vervoeging vind je/jij. Bij combinaties met je is het niet altijd even duidelijk of je het onderwerp van de zin is. Als u daaraan twijfelt, kunt u je proberen te vervangen door jij of jou(w).