Parallellisme wordt beschouwd als een 'onvolledige herhaling' (vandaar ook wel equivalentie genoemd), waarbij de identiteit én het verschil van de aldus geplaatste tekstelementen worden beklemtoond.
Het parallellisme ook parallellie is een stijlfiguur waarbij twee (of meer) zinswendingen naar inhoud of naar vorm min of meer gelijk zijn. Vaak wordt deze stijlfiguur toegepast om de betreffende zinnen of zinsdelen meer nadruk te geven.
Parallellisme = Onder parallellisme verstaat met het verschijnsel dat een aantal zinnen op dezelfde wijze begint en verloopt. Voorbeelden: Psalm 150: Looft God in zijn heiligdom; looft hem in het uitspansel zijner sterkte.
We spreken van herhaling (of 'repetitio') als een woord of woordgroep door de schrijver met een (on)bewuste bedoeling wordt herhaald.
Een repetitio is de eenvoudigste vorm van een enumeratie. Bij deze stijlfiguur worden woorden (of delen van woorden) of zinswendingen herhaald.
A. Herhaling (repetitio)
Je gebruikt twee keer hetzelfde woord om er aandacht op te vestigen. Geld, geld is het enige wat hem bezighoudt. Ja, ja, je kunt me nog meer vertellen. Nooit, nooit ga ik daar nog eens naar toe!
Een tautologie is een woordcombinatie waarin een begrip twee keer of meer wordt genoemd. Ze bestaat doorgaans uit twee of meer woorden van dezelfde woordsoort, vaak met en of of(te) ertussen. Voorbeelden zijn eenzaam en alleen, pracht en praal en niettemin toch.
Je kunt het metrum van een gedicht scanderen . Dat wil zeggen dat je analyseert welke lettergrepen een korte klank hebben en welke lettergrepen een lange, benadrukte klank hebben. Een korte klank geef je aan met een thesis (∪) en een lange klank geef je aan met een arsis (―).
Bij alliteratie (door het veelvoudig gebruik in de Germaanse literatuur ook wel Germaans rijm genoemd) zijn de eerste klinkers of medeklinkers van twee of meer beklemtoonde woorden hetzelfde. De woorden staan vaak naast of dicht bij elkaar, maar dit is geen harde eis.
Parallellisme wordt meestal aangewend om een bepaalde gedachte of emotie door herhaling of contrast te versterken of te verhelderen (litanie-effect). Het is een van de oudste stijlfiguren. Het wordt vaak aangetroffen in primitieve orale poëzie, in de oosterse dichtkunst en in de Bijbel (zie parallellismus membrorum).
Evenwijdig, of parallel, is een begrip uit de meetkunde waarmee aangegeven wordt dat twee of meer objecten overal dezelfde afstand ("wijdte") tot elkaar hebben.
Een anafoor is een stijlfiguur, die bestaat uit het herhalen van steeds weer een of meerdere woorden aan het begin van elkaar opvolgende zinnen of zinsdelen. Deze stijlfiguur is veelgebruikt in de retoriek.
Een paradox is een uitspraak (meestal een hele zin) waarvan de onderdelen op het eerste gezicht met elkaar in tegenspraak zijn. Iemand zegt of schrijft dus iets wat niet lijkt te kloppen. Maar als je er even over nadenkt, zit er tóch een logische of soms zelfs wijze gedachte achter.
Een chiasme maakt je tekst leuker. Het betekent kruisstelling en komt van de Griekse letter Chi, ofwel X. Voorbeeld: “Dames en heren, jongens en meisjes”. Zet een X of een kruis tussen twee regels en je ziet dat de omkeringen met elkaar zijn verbonden.
Stijlfiguur waarbij een woord of kleine woordgroep enkele malen herhaald wordt en er zo bij de lezer wordt 'ingehamerd'. de schaduw van je hond, maar verlaat me niet. En niemand komt niemand dan niemand tegen.
De betreffende woorden in een alliteratie staan vaak dicht naast elkaar, maar dit is geen strikte eis. Ook kan binnen een woord sprake zijn van alliteratie, zoals in samenstellingen als 'Mediamarkt' en 'muismat'.
Enjambement is het doorlopen van een zin over twee (of eventueel meer) versregels. De mogelijke redenen om dit te doen zijn onder andere: Het creëren van ongebruikelijk rijm.
Alternerend rijm
Ook het gekruist rijm wordt wel alternerend genoemd.
Een trochee is net als een jambe een versvoet. Hij bestaat uit twee lettergrepen, eerst een beklemtoonde en dan een onbeklemtoonde. De klemtoon in een trochee valt dus zo: DA-dum. Zet er vier achter elkaar en je krijgt: DA-dum DA-dum DA-dum DA-dum – en dat heet dan een “trocheïsche tetrameter”.
Hoe weet je waar de klemtoon van een woord ligt? Duidelijke regels zijn er dus niet. Maar als je wilt weten waar de klemtoon van een woord ligt moet je proberen de nadruk in een woord steeds op een andere plek te leggen. Vaak hoor je dan wel of het goed klinkt of niet.
Anapest definities
versvoet van achtereenvolgens twee onbeklemtoonde lettergrepen en één beklemtoonde lettergreep.
Bij een pleonasme wordt een eigenschap van iets dubbel uitgedrukt. Een pleonasme bestaat uit twee woordsoorten, vaak een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord. Het bijvoeglijk naamwoord drukt een eigenschap uit die al besloten ligt in het zelfstandig naamwoord. Denk bijvoorbeeld aan witte sneeuw.
In veel gevallen (maar niet uitsluitend) bestaat een pleonasme uit een combinatie van een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord. Een voorbeeld van een pleonasme is witte sneeuw: de bepaling witte is veelal overbodig, omdat 'wit' in principe een inherente eigenschap van 'sneeuw' is.
Dubbelop: twee keer hetzelfde zeggen.