Een meewerkend voorwerp (afgekort MV) is in de grammatica het zinsdeel dat aangeeft aan wie of voor wie iets wordt gedaan. Het ontvangt vaak iets of profiteert van de handeling. Je vindt het door de vraag "Aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?" te stellen. Wikikids +3
Een meewerkend voorwerp is degene die iets ontvangt of verneemt of van wie iets wordt afgenomen. In de zin 'De zon geeft ons energie' is ons het meewerkend voorwerp. Het meewerkend voorwerp is vaak de 'ontvangende partij'.
In kindertaal is het meewerkend voorwerp degene die iets krijgt of aan wie iets wordt gegeven. Het is de persoon of het dier voor wie iets fijns gebeurt in de zin.
Het meewerkend voorwerp in een zin vind je door de vraag te stellen: 'Aan/voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + (lijdend voorwerp)? ' Bijvoorbeeld: 'Vorige week gaf ik mijn vriend een cadeau' > 'Aan wie gaf ik een cadeau? ' > 'Mijn vriend'. In deze zin is 'mijn vriend' dus het meewerkend voorwerp.
Zoek eerst de persoonsvorm, het onderwerp, het gezegde en het eventuele lijdend voorwerp in de zin. Zet Aan wie of Voor wie voor het onderwerp, het gezegde en het eventuele lijdend voorwerp. Staat het woord -aan of het woord -voor in een zin, dan weet je al dat er een meewerkend voorwerp in de zin zit.
Een lijdend voorwerp is de persoon of het ding dat direct de handeling of het effect van het werkwoord ondergaat. Het beantwoordt de vraag "wat" of "wie". Een meewerkend voorwerp beantwoordt de vraag "waarvoor", "van wat", "aan wat", "voor wie", "van wie" of "aan wie" en vergezelt een lijdend voorwerp.
' Het antwoord is het meewerkend voorwerp. Welke vraag stel ik om het meewerkend voorwerp te vinden? Om het meewerkend voorwerp in een zin te vinden, stelt je kind de vraag 'aan wie/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
Volgorde
In zinnen ontvangen indirecte objecten het directe object en beantwoorden ze de vraag "voor wie?" of "aan wie?". In de zin "Ik gaf de leraar mijn huiswerk" is "de leraar" bijvoorbeeld het indirecte object.
Heb je je ooit afgevraagd hoe je kind leert wie in een verhaal iets krijgt of voor wie iets wordt gedaan? Dan is het meewerkend voorwerp (afgekort als mv) precies wat je zoekt. Kort gezegd duidt het meewerkend voorwerp in een zin aan aan wie of voor wie de actie bestemd is.
meewerkend voorwerp (mv): aan/ voor wie + wwg + ow + (lv)? Hij heeft aan Sanne een cadeau gegeven. Let op: in deze zin kun je eenvoudig het voorzetsel 'aan' weglaten: 'Hij heeft Sanne een cadeau gegeven. ' Als dat kan, weet je dus al dat je te maken hebt met een meewerkend voorwerp.
Directe objecten zijn de zelfstandige naamwoorden of voornaamwoorden die de handeling ondergaan, terwijl indirecte objecten de zelfstandige naamwoorden of voornaamwoorden zijn die door de handeling worden beïnvloed . Indirecte objecten zijn de ontvangers van de directe objecten. Directe objecten beantwoorden de vraag 'wat?' en indirecte objecten beantwoorden de vraag 'aan wie?'
Blauw = PV en gezegde. Groen = lijdend voorwerp (wat?) Geel = meewerkend voorwerp (aan wie? voor wie?)
Een meewerkend voorwerp is dat zinsdeel dat meewerkt om de handeling te verrichten. Zonder het meewerkend voorwerp zou een zin met geven bijvoorbeeld niet compleet zijn. Voor een zinsdeel dat meewerkend voorwerp is kan aan of voor worden geplaatst. Staat aan of voor er al voor, dan kun je deze woorden weglaten.
Mij (of me) is de voorwerpsvorm.
Die vorm wordt bijvoorbeeld gebruikt als het voornaamwoord de functie van lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp vervult of na een voorzetsel staat.
Het meewerkend voorwerp is een zinsdeel dat bij bepaalde werkwoordelijke en naamwoordelijke gezegdes kan of moet optreden en de zelfstandigheid aanduidt waarop de door dat gezegde en het lijdend of oorzakelijk voorwerp uitgedrukte werking gericht is. Vergelijk: 1A: (Hoeveel geef jij?) B: Ik geef een tientje.
Het meewerkend voorwerp begint met het voorzetsel aan, of ik kan het voorzetsel aan ervoor zetten. Opvallend is, dat toevoegen of weghalen van aan ervoor zorgt dat het meewerkend voorwerp en het lijdend voorwerp van plaats wisselen in de zin.
Voorbeeld van een indirect object: Hij gooide de bal naar haar. Om een indirect object te vinden, kun je jezelf de vraag stellen "naar wie of voor wie? ": Naar wie gooide hij? Naar haar. Dat is het indirect object.
Om bij ontleden het meewerkend voorwerp van de zin te vinden, gebruik je de volgende stappen:
Of het onderwerp (OW) dat bedoeld wordt in de bijzin gelijk is aan het onderwerp in de hoofdzin.
Een lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel. Een lijdend voorwerp bevat altijd een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord. Niet in iedere zin staat een lijdend voorwerp.
Lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp
Als je het onderwerp en het gezegde weet, kijk je of er een lijdend voorwerp is. Als deze er is, kijk je of er in de zin ook een meewerkend voorwerp is.
Bijvoorbeeld: Sarah gaf John een appel . (In dit voorbeeld is het indirecte object "John", omdat hij de ontvanger is van het directe object "een appel", dat is hetgeen waarop het werkwoord "gaf" betrekking heeft.)
Als het lijdend voorwerp een aanwijzend voornaamwoord is en het meewerkend voorwerp een zelfstandig naamwoord(groep), kan het meewerkend voorwerp zowel voor als achter het lijdend voorwerp staan.