Mensen in de tijd van de prehistorie droegen kleding van dierenhuid, bont en plantaardig materiaal. Eerst moest de dierenhuid schoon gemaakt worden. Dat werd gedaan met schrabbers van bot of steen. Met de pezen werd het door de huid gedaan.
Mensen gebruikten boomschors, bladeren en dierenhuiden als primitieve vorm van kleding.
De mannen droegen een tuniek tot boven hun knie, met daaronder een middeleeuwse maillot of beenkappen. Over hun hoofd droegen zij een capuchon, die hun beschermde tegen wind en regen. Vrouwen droegen een lange jurk. De kinderen droegen dezelfde kleding als hun ouders.
De allervroegste voorouders van de mens aten waarschijnlijk alleen planten. Net als de planteneters die er vandaag de dag rondlopen hadden ze grote, brede kaken. Dat begon te veranderen toen de eerste oermens met het predikaat homo – homo habilis – ten tonele verscheen.
Ook uit de IJzertijd zijn hele kledingstukken bekend. Deze zijn bewaard gebleven in venen in Noord-Duitsland en Denemarken. In deze tijd droegen vrouwen lange kokerjurken of rokken van wol, mannen liepen in wollen broeken en tunieken.Tegen de kou droeg men mantels van schapenvellen of van wol.
Bontcapes en zware laarzen behoorden tot de belangrijkste kledingstukken die zowel door mannen als vrouwen werden gedragen, wat het leven in het koudere noorden een beetje beter maakte. Vrouwenkleding bestond over het algemeen uit wollen rokken, blouses en jurken, terwijl mannen wollen tunieken droegen.
Ze leefden vooral van het eigen vee en de gewassen die ze op de akkers verbouwden, aangevuld met eten uit de natuur als wild, vis, noten, bessen en wortels en bladeren van wilde planten. Kippen hadden ze nog niet, die werden pas door de Romeinen meegenomen.
Dawkins noemt kannibalisme een taboe, maar het eten van mensenvlees is niet alleen een ethische kwestie. Ons vlees bevat namelijk infecterende proteïnes en deze kunnen ziekten veroorzaken en zelfs dood als gevolg hebben. Hiernaast is er ook een reële kans op bloedoverdraagbare ziekten.
In de prehistorie gingen mensen schrikbarend vroeg dood. Tot ongeveer 30.000 jaar terug. Toen werd vermoedelijk een deel van de mensheid vijftig jaar oud en was er zelfs een groep die de tachtig of negentig haalde.
De mensen sliepen gewoon op de grond, onder dierenhuiden. De oude Egyptenaren sliepen niet met een hoofdkussen zoals wij, maar met een hoofdsteun. Ze sliepen daarbij op hun zij. De nomaden in het oude Perzische rijk, maakten waterzakken van dierenhuiden.
Basiskledingstukken bestonden nu uit de smock, de kousen, de kirtle, de japon, de riem, de overjas, de gordel, de cape, de kap en de muts. Rijkere vrouwen gebruikten stoffen en materialen zoals zijde en fijn linnen; de lagere klassen gebruikten wol en grover linnen.
Bij arme vrouwen waren ze strak of ontbraken geheel. In dat geval werden losse mouwen gebruikt. De tabbaard werd gevoerd met een dikke stof ter bescherming tegen de kou. Meestal was onder de tabbaard een stukje van de onderrok te zien.
In de Middeleeuwen zagen hoge heren er heel anders uit. Ze droegen blouses met wijde mouwen, broeken met hoge laarzen, rijk geborduurde capes en mantels met brede schouders en wijd uitlopende mouwen. Bont en leren inzetstukken zorgden voor extra warmte. In de Renaissance was het belangrijk dat heren opvielen.
De vroege mens gebruikte primitieve vormen van kleding zoals dierenhuiden en bont om hun lichaam te bedekken. Ze maakten de naalden met behulp van botten en ivoor van olifantenslagtanden.
De vrouwen droegen een tuniek of blouse met korte mouwen, een knielange rok gemaakt van koorden of wol of een lange rok. Op het hoofd droeg de vrouw een haarnetje gemaakt van sprang. Aan de voeten droegen de vrouwen sokken en schoenen.
Toen de eerste mensen ongeveer 45.000 jaar geleden naar noordelijke klimaten migreerden, bedachten ze rudimentaire kleding om zichzelf te beschermen tegen de kou. Ze hulden zichzelf in loszittende huiden die ook dienstdeden als slaapzakken, draagzakken en handbescherming voor het beitelen van steen.
Alle mensapen hebben grote, met lucht gevulde zakken die aan het spraakkanaal vastzitten: keelzakken. Die grote keelzakken zorgen ervoor dat mensapen laag, luid en indrukwekkend kunnen klinken. Het halve bolletje aan het tongbot zorgt ervoor dat de verbinding tussen het spraakkanaal en de keelzak open blijft.
De oudste, ons bekende mensachtige, de Homo habilis, ontwikkelde zich zo'n 2,5 miljoen jaar geleden en dankt zijn naam ('handige mens') aan de werktuigen die hij gebruikte. Fossielen van deze eerste mens – en zijn (stenen) werktuigen – zijn opgegraven in de beroemde Olduvai Gorge in Oost-Afrika.
Er wordt aangenomen dat de gemiddelde leeftijd van de middeleeuwse mens rond de 35 jaar lag.
Onze prehistorische voorouders aten vroeger veel groenten en fruit, noten en zaden en vlees en vis. Dit 'oervoer' was rijk aan eiwitten en vezels en bevatte amper koolhydraten en verzadigde vetten. Het voedsel was puur en onbewerkt en volgens wetenschappers aten onze voorouders erg gezond.
Natuurlijk voedingspatroon. De mens wordt over het algemeen als een omnivoor beschouwd. Sommige volkeren (Eskimo's of Inuit) leven voornamelijk van vlees (zeezoogdieren, kariboes, vis).
Kannibalisme komt nauwelijks nog voor
Kannibalisme was tot in de 19e eeuw doodnormaal op eilanden in de Stille Zuidzee. Tegenwoordig zouden nog enkele geïsoleerde stammen in Zuid-Amerika en Papoea Nieuw-Guinea mensen eten.
Vooral broccoli, tuinbonen, augurken en courgettes, maar ook spinazie, postelein, andijvie, raapstelen, veldsla en snijbiet bevatten relatief veel ijzer. Vanwege het hoge nitraatgehalte is het raadzaam deze soorten niet vaker dan tweemaal per week te gebruiken.
De Kelten maakten hun eigen honingwijn, of mede , op smaak gebracht met kruiden en bloemen, die duurder zou zijn geweest dan bier, maar minder dan druivenwijn. Ze maakten ook een tarwe- of gerstenbier zonder hop dat gemengd kon worden met mede of op zichzelf geconsumeerd kon worden, maar dat heel snel na het maken geconsumeerd moest worden.
De Germanen woonden in boerderijen gebouwd van houten palen en met een dak van riet of stro. Ze verbouwden granen en groenten, zoals kool, erwten en koolraap. Graan maalden ze fijn tot meel, waarvan ze brood bakten of pap maakten. Van gerst brouwden ze bier, een belangrijke drank voor de Germanen.