Onthoud het volgende: Alles wat voor de persoonsvorm staat of kan staan is één zinsdeel. Een zinsdeel is meestal te vervangen door één woord.
Een zinsdeel kan uit één woord bestaan, maar ook uit meerdere woorden. Je kind kan bij redekundig ontleden te maken krijgen met de volgende zinsdelen: persoonsvorm, gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, bijwoordelijke bepalingen en bijvoeglijke bepalingen.
Om de zinsdelen te vinden moet je eerst de zin ontleden.Als eerste zoek je de persoonsvorm.De persoonsvorm is het eerste zinsdeel.Vervolgens kijk je naar de woorden die voor de persoonsvorm staan, dat is ook een zinsdeel.
Ik maak de zin vragend. De persoonsvorm komt op de eerste plaats van de zin te staan. Er is altijd maar één persoonsvorm in een gewone zin (zonder bijzinnen).
De zinsdelen zijn: onderwerp, persoonsvorm, gezegde, meewerkend voorwerp, belanghebbend voorwerp, ondervindend voorwerp, oorzakelijk voorwerp, lijdend voorwerp, bijwoordelijke bepaling, bijvoeglijke bepaling, voorzetselvoorwerp en bepaling van gesteldheid. Natuurlijk komen niet al die zinsdelen samen in één zin voor.
Het wordt gebruikt om iets anders in de zin (vaak een zelfstandig naamwoord) nader te omschrijven. Het bijvoeglijk naamwoord (afkorting bn.) duidt dus meestal een eigenschap of hoedanigheid aan en vormt meestal één zinsdeel met datgene wat het nader omschrijft.
Een lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel. Een lijdend voorwerp bevat altijd een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord.
Maak de zin vragend (ja/nee-vraag) -> de persoonsvorm komt vooraan in de zin te staan. Probeer de zin in een andere tijd te zetten -> het woord dat nu verandert, is de persoonsvorm. Zet het onderwerp van de zin in enkelvoud/meervoud -> het werkwoord dat mee verandert, is de persoonsvorm.
Zonder de persoonsvorm is het namelijk niet mogelijk om een zin te ontleden. Met behulp van de persoonsvorm kan je kind het onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en de bepalingen vinden.
Een hulpwerkwoord is een werkwoord dat als 'hulp' bij het hoofdwerkwoord van de zin staat. In tegenstelling tot een zelfstandig werkwoord kan een hulpwerkwoord nooit zelfstandig voorkomen. Het komt altijd voor in combinatie met een ander werkwoord (een zelfstandig werkwoord of een koppelwerkwoord).
Het is de werkwoordsvorm die hoort bij het onderwerp van de zin. De persoonsvorm is de vervoegde vorm van het werkwoord. De persoonsvorm past zich aan aan het onderwerp van de zin. Als het onderwerp bijvoorbeeld een enkelvoud is, zoals hij, dan is de persoonsvorm dat ook: hij loopt.
Een zinsdeel is een onderdeel van een zin met een bepaalde grammaticale functie. Een zinsdeel kan één woord zijn, maar ook een combinatie van woorden. Voorbeelden van zinsdelen zijn het onderwerp, het lijdend voorwerp en het gezegde.
Er is een handige manier om een zin in zinsdelen te verdelen. Onthoud het volgende: Alles wat voor de persoonsvorm staat of kan staan is één zinsdeel. Een zinsdeel is meestal te vervangen door één woord.
eerste persoon: de spreker. tweede persoon: de aangesprokene. derde persoon: noch de spreker, noch de aangesprokene, maar een derde.
Infinitief (inf)
Wanneer het hele werkwoord geen persoonsvorm is, noem je het dus een infinitief. Voorbeeld van het infinitief: Ik vind dat die vergrote afbeeldingen morgen moeten worden afgemaakt.
In een zin zit altijd maar één persoonsvorm (pv). De persoonsvorm van een zin is altijd een werkwoord. Werkwoorden zijn dingen die je kunt doen; fietsen, lopen, spelen, kruipen, klappen, slapen... Als je de persoonsvorm van een zin weet, dan kun je ook de andere zinsdelen benoemen.
Een beknopte bijzin is een bijzin waarin het onderwerp en de persoonsvorm ontbreken.
Is het onderwerp enkelvoud, dan is de persoonsvorm dat ook. Is het onderwerp meervoud, dan geldt ook hetzelfde voor de persoonsvorm. Voor de vervoeging van de persoonsvorm is de hoeveelheid mensen in het onderwerp dus bepaald. Een infinitief heeft deze eigenschap niet.
Congruentie is de vormovereenkomst tussen elementen die syntactisch met elkaar zijn verbonden. Bijvoorbeeld de congruentie tussen het onderwerp en de persoonsvorm van een zin: een meervoudig onderwerp wordt gecombineerd met een meervoudige persoonsvorm, een enkelvoudig onderwerp met een enkelvoudige persoonsvorm.
Er bestaan twee soorten voegwoorden: nevenschikkende voegwoorden: deze zetten twee zinnen, woorden of zinsdelen naast (neven) elkaar. onderschikkende voegwoorden: deze maken de ene zin ondergeschikt aan de andere. De zin die met het voegwoord begint (de bijzin), wordt een zinsdeel in de andere zin (de hoofdzin).
Plaats van voorzetsels
Omdat het woordje 'voor' in voorzetsels voorkomt, kan je kind denken dat deze woordsoort altijd vooraan in een zin staat. Je kunt een voorzetsel inderdaad aan het begin van een zin tegenkomen, maar zo'n woord staat vaak ergens halverwege of aan het eind van een zin.
Er kunnen meerdere persoonsvormen in een zin staan, je hebt dan te maken met een samengestelde zin met twee hoofdzinnen. Onze taal kent ook scheidbaar samengestelde werkwoorden.