Steentijd - Eerste boeren. 7.500 jaar geleden trokken er in ons land alleen nog jagers/verzamelaars rond. Maar vanuit midden Europa trekken dan de eerste boeren Limburg binnen. Het zijn de Bandkeramiekers.
De eerste boeren
Om te onderzoeken hoe mensen leefden in de prehistorie zoeken archeologen naar sporen in de bodem. Dankzij het onderzoek van archeologen weten we inmiddels heel veel over deze boeren. De eerste boeren staan bekend als de Hunebedbouwers. Ze worden ook wel Trechterbekervolk genoemd.
Een boer die zich alleen maar bezighoudt met veeteelt is een veehouder; een akkerbouwer of agrariër is een boer die zich uitsluitend bezighoudt met het verbouwen van gewassen, maar een tuinder of kweker wordt in de regel geen boer genoemd. Een boer met weinig land of weinig dieren wordt wel een keuterboer genoemd.
Rond 5.300 voor Christus vestigden de eerste boeren zich in Limburg. Ze verbouwden graan en hielden rundvee. Van deze boeren zijn aardewerkresten gevonden met spiraal- en bandvormige versieringen. Hun tijdperk wordt dan ook aangeduid als de 'Bandkeramische cultuur', oftewel 'Bandkeramiek'.
De eerste boeren kwamen hier ongeveer 7000 jaar geleden wonen. Ze leefden heel anders dan de jagers die al in ons land leefden. De boeren woonden op een vaste plek, in huizen gemaakt van stro, leem, takken en boomstammen. De bomen werden omgehakt met grote bijlen, een nieuwe uitvinding van de boeren.
Een boerderij had soms wel 24 koeien, varkens, schapen en geiten. Op hun akkers verbouwden de boeren behalve gerst ook lijnzaad. Ze hadden honden als huisdier en gebruikten houten harken en pikhaken voor het werk op het land.
De wereld vóór de landbouw
Echter, voor ongeveer 15.000-20.000 jaar geleden hebben we geen bewijs dat onze voorouders landbouw hadden . In plaats daarvan geloven we dat ze strikt jaagden of op zoek gingen naar voedsel. Er waren tijden dat ze een grote prooi hadden en meer voedsel hadden dan ze wisten wat ze ermee moesten doen.
Tijd van jagers en boeren
Kenmerkend voor dit tijdvak: de levenswijze van jagers-verzamelaars;het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen;het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
In Hongarije ontstond rond 5500 v. Chr. de Bandkeramische cultuur, die zich verspreidde vanuit Frankrijk tot aan Oekraïne en omstreeks 5300 v. Chr. Limburg bereikte.
Definitie van 'Limburg'
1. een middeleeuws hertogdom in West-Europa : verdeeld tussen Nederland en België in 1839. 2. een provincie in Zuidoost-Nederland: bevat een kolenmijn en industriële centra.
Een boer is een persoon die een boerderij runt en er werkt . Sommige boeren verbouwen verschillende voedselgewassen, terwijl anderen melkkoeien houden en hun melk verkopen. Boeren werken in een aspect van de landbouw, verbouwen groenten, granen of fruit; of houden dieren voor melk, eieren of vlees.
Het woord boer wordt als achtervoegsel gebruikt om bepaalde handelaren aan te duiden. Vanouds waren het inderdaad boeren - ze verkochten hun eigen producten. Zo ontstonden de groenteboer, de melkboer, de eierboer, de kaasboer.
De oudste vondsten die op landbouw duiden, zijn in Zuidwest-Azië gesitueerd. In Ohalo II in Israël zijn vroege aanzetten tot landbouw gevonden die gedateerd worden rond 23.000 BP, zo'n 12.000 jaar eerder dan algemeen wordt aangenomen.
Hunebedbouwers uit Denemarken en Duitsland lijken met hun gebruiken naar Drenthe te komen rond 3.400 v. Chr. (ten minste volgens de laatste onderzoeken). De hunebedbouwers of de boeren van het Trechterbekervolk wonen in Noord-Nederland, Duitsland, Denemarken, Zweden, Polen, Tjechie, Oekraine…
Vrije boeren bleven op het landgoed van de landheer wonen. Zij pachtten de grond en de boerderij. Ze betaalden met geld of met een deel van de oogst. Echt vrij waren ze dus niet.
Om te beginnen waren de bewoners van de Vruchtbare Halve Maan ongetwijfeld een van de eerste boeren, maar ze waren niet de enigen. Archeologen zijn het er nu over eens dat landbouw onafhankelijk is "uitgevonden" in ten minste 11 regio's, van Centraal-Amerika tot aan China (zie kaart).
De naam trechterbekercultuur is een verzamelnaam van een groot aantal met elkaar verwante gemeenschappen in het neolithicum of nieuwe steentijd, wonend in het gebied vanaf zuidelijk Scandinavië in het noorden, Nederland in het westen, de Boeg in het oosten en de Donau in het zuiden.
Landbouwstedelijke samenleving
maatschappij waarin een minderheid van de bevolking in steden met handel en nijverheid woont. Samenleving van jager-verzamelaars: maatschappij van nomaden die leven van wat ze vinden in de natuur.
De culturele en economische bloeiperiode in de Noordelijke Nederlanden tussen 1600 en 1700 wordt sinds de negentiende eeuw vaak de 'gouden eeuw' genoemd.
Men denkt dat mensen zo'n 12.000 jaar geleden massaal stopten met nomadisch leven, omdat landbouw een alternatief werd . Het einde van de jager-verzamelaarslevensstijl kwam echter niet meteen. In sommige delen van de wereld duurde het duizenden jaren voordat mensen leerden hoe ze verschillende gewassen konden verbouwen.
Landbouw ontstaat als jagers/verzamelaars zo'n 12.000 jaar geleden ontdekken dat het makkelijker is lange tijd op dezelfde plek te blijven als de grond vruchtbaar is. De ontdekking van veredeling draagt bij aan de ontwikkeling van sterke rassen, waardoor de oogsten hoger uitvallen.
Ongeveer 12.000 jaar geleden werd in de Vruchtbare Halve Maan, de Levantregio in het Nabije Oosten, voor het eerst landbouw bedreven. Deze regio omvat de binnenlanden van het huidige Turkije, Israël, Syrië, Jordanië, Libanon, Iran, Irak, Turkmenistan en Klein-Azië.
In 2050 moet de landbouw en het landgebruik klimaatneutraal zijn. Een ingewikkelde uitdaging, daar een deel van de uitstoot van broeikasgas niet te vermijden is: koeien produceren methaan en uit kunstmest komt lachgas vrij, beide broeikasgassen. Anderzijds legt de sector ook CO2 vast: in de bomen, de bodem en het gras.
Rond 5300 v. Chr. vestigden de eerste boeren zich in ons land, rond het huidige Zuid-Limburg.
Deze mensen jaagden op zoogdieren (land- en zeedieren) en visten. Naast het jagen speelde het verzamelen een grote rol, denk aan het verzamelen van planten, korstmossen, paddenstoelen, eieren van vogels en schaal- en schelpdieren (KARG, 2011).