De Nederlandse gulden heette oorspronkelijk florijn (afgeleid van de Florentijnse fiorino d'oro uit 1252). In de volksmond en door de eeuwen heen werd de munt ook wel aangeduid als daalder (of daler), en later, vanwege de afbeelding van de Nederlandse maagd met een lans, vaak een piek genoemd. DBNL - Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren +4
- Daalder. Nu vooral bekend van de slogan 'Op de markt is je gulden een daalder waard. ' De daalder heette vroeger 'daler'. Daler, dat ten grondslag ligt aan dollar, vindt zijn oorsprong in het Duitse Taler.
Een meier was vroeger in de volkstaal de naam van een briefje van 100 gulden. Het is een afleiding van het Hebreeuwse woord mei'oh, dat 'honderd' betekent. Als gevolg van uitsluiting van andere ambachten, hielden sommige Joden zich bezig met financiële beroepen.
Een piek was de benaming van een Nederlandse munt van één gulden. Op de guldenmunten werd vanaf het einde van de zeventiende eeuw de Hollandse maagd afgebeeld. Deze symbolische vrouw droeg een lans of piek, met daarop een vrijheidshoed.
De rode achterkant van het 1000 gulden biljet werd 'de rode rug' genoemd. Deze bijnamen hielden bijna 150 jaar stand, zelfs toen de kleuren van de biljetten veranderden.
Barki betekent 'biljet van honderd gulden; bedrag van honderd gulden'.
[Let op: Spelling en uitleg uit 1890] (Bargoens), honderd gulden.
Een joetje (of joet, joedje, juutje) is tien gulden. De benaming komt uit het Hebreeuws. In het Hebreeuwse alfabet is de letter jod (ook wel uitgesproken joed) de tiende letter. Via het Jiddisch kwam het in het Nederlands terecht.
De gulden (Nederlands: gulden, uitgesproken als [ˈɣʏldə(n)]) of florijn was de munteenheid van Nederland van 1434 tot 2002, toen deze werd vervangen door de euro.
Een geeltje stond aanvankelijk voor een munt van goud met een variabele waarde. Het biljet waaraan het geeltje zijn naam dankt. In de periode 1861-1909 was er een geelkleurig bankbiljet van 25 gulden dat in de volksmond ook 'geeltje' werd genoemd.
"De oorsprong van deze meijer-namen ligt in Noordwest-Duitsland. Boerenzonen uit deze streek zochten in de 18de en 19de eeuw hun heil in het economisch aantrekkelijke Nederland, waardoor zij bovendien konden ontsnappen aan de dienstplicht onder een heerschappij die zij niet steunden.
Bekende biljetten die ingevoerd werden, waren de zonnebloem (50 gulden), snip (100 gulden) en de vuurtoren (250 gulden).
pegel (zn) : piek, gulden. pop (zn) : piek, gulden.
Geschiedenis van de 50 gulden munt
De 50 gulden munt, in de volksmond ook wel het “zilveren vijftigje” genoemd, werd tussen 1982 en 1998 uitgegeven. Onder het bewind van Koningin Beatrix kreeg elk jaar een eigen thema of herdenking, variërend van culturele mijlpalen tot belangrijke historische gebeurtenissen.
Gouden vijfje
5 gulden, goud, koning Willem I, geslagen te Utrecht in 1827. De eerste munt van deze waarde was van goud en had als alledaagse naam het gouden vijfje.
Biljetten
Piektarief is het tarief dat u betaalt voor de stroom die u overdag tussen 07:00 en 23:00 uur gebruikt. Daltarief is het tarief voor de elektriciteit die u 's nachts tussen 23:00 en 07:00 uur, in het weekend en op feestdagen afneemt.
Meier of snip: Het 100 gulden biljet, vaak 'meier' of 'snip' genoemd, is nu ongeveer €45,38 waard. Geeltje: Het 25 gulden biljet, bekend als 'geeltje', heeft nu een waarde van ongeveer €11,34.
De overige munten die vanaf 1945 circuleerden, waren de stuiver (5 cent), het dubbeltje (10 cent), het kwartje (25 cent), de gulden (100 cent) en de rijksdaalder (2½ gulden, ook wel riks of knaak genoemd).
[Bargoens, boeventaal] 30 stuivers. Een lammetje, (een daalder). Veel schokt hij er niet voor, maar toch altijd wel een lammetje.
'Roodje' en 'geeltje'
Daar komen de uitdrukkingen 'een rooie rug' of 'een roodje' voor 1000 gulden en 'een geeltje' voor 25 gulden vandaan. Overigens was 200 gulden begin vorige eeuw een vermogen.
Tientje van Lieftinck. Het Tientje van Lieftinck is de bijnaam van de tien gulden die de Nederlanders op 26 september 1945 kregen van de minister van Financiën Piet Lieftinck. In het kader van de geldzuivering werd al het Nederlandse papiergeld ongeldig verklaard en alle banktegoeden bevroren.